19 mei 2026
Schriftelijke vragen Vergunning ter verstoring van het leefgebied van de rode eekhoorn in Oude Tempel, Soesterberg
Op 27 maart 2026 is de vergunning verleend ‘voor zover dit betreft het opzettelijk beschadigen en/of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen van de Europese rode eekhoorn’ (hierna: rode eekhoorn), een beschermde soort. Door een uitvraag bij de griffie heeft de fractie Partij voor de Dieren in mei onderliggende stukken ontvangen behorende bij deze verleende ontheffing (Z-PU-2025-001619) om leefgebied van de eekhoorn, een beschermde soort, te verstoren. Er zullen 2.000 bomen gekapt worden om huizen te bouwen. 1.900 bomen zullen blijven staan. Maar het hele gebied van bijna 4.000 bomen is nu het leefgebied van de rode eekhoorn, wiens staat van instandhouding in onze provincie ‘matig ongunstig’ is. Deze stukken betroffen meerdere memo’s en een projectplan van adviesbureau GRAS, het bureau dat voor Gemeente Soest aanvraag voor de ontheffing uitvoert. Naast het advies van GRAS, dat geen erkend ecologisch adviesbureau is, is er nog een uitgebreider onderzoek in maart 2025 gedaan specifiek naar de rode eekhoorn door ecologisch adviesbureau Viridis. De ontheffing kon alleen verleend worden indien zou worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing, b) er is een geldig wettelijk belang dat zwaarder weegt dan het beschermingsbelang van de eekhoorn, c) er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de eekhoorn in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten bestaan. Naar aanleiding van deze stukken stukken en de afwegingen gemaakt in de de ontheffing stellen wij de volgende vragen, en gaan specifiek in op de laatstgenoemde voorwaarde (voorwaarde c):
In de vergunning is een hele lijst aan mitigerende en compenserende maatregelen opgenomen om de rode eekhoorn te laten voortbestaan in het plangebied. Maar hoe dan ook zullen vele nesten verwijderd worden, zullen voedingsbronnen voor de eekhoorn vernietigd worden en is het voor de rode eekhoorn niet mogelijk om zonder risico op aangrenzende leefgebieden te komen, omdat deze zich niet meer via boomtoppen kan verplaatsen.
1) Ten eerste een vraag over het aantal nesten. In het besluit van GS voor de vergunning (27 maart 2026, p.7) wordt het activiteitenplan van GRAS geciteerd:” …binnen het projectgebied zijn vier nestlocaties van de rode eekhoorn vastgesteld…”. Pakken we dat betreffende activiteitenplan van GRAS erbij (18 maart 2026), dan halen zij onderzoek van Viridis aan (p.13) “Begin 2025 heeft Viridis een ecologisch onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de rode eekhoorn binnen Oude Tempel. Tijdens dit onderzoek zijn in totaal 4 nesten aangetroffen binnen het projectgebied.” Echter, pakken we dat onderzoek erbij, dan lezen we op p. 10, onder het kopje “4.1 Waarnemingen binnen plangebied” het volgende: “Buiten sporen van foerageeractiviteit zijn 14 nesten van de eekhoorn aangetroffen. Van een vijftiende nest kon niet met zekerheid worden gezegd of deze ook aan de eekhoorn toebehoort.” Er zijn dus veertien nesten geconstateerd in veldonderzoek, niet vier zoals in de aanvraag beweerd wordt. Was het College zich bewust van deze discrepantie? Zo ja, waarom is van van 4 nesten uitgegaan, dat een ongegrond getal is, en niet het aantal van 14 nesten, wat door veldonderzoek geconstateerd is? En deelt het College de mening van Partij voor de Dieren dat het vergunningsbesluit hiermee berust op aantoonbare onjuistheden? Zo niet, waarom niet?
2) Omdat meer nesten ook meer activiteit betekent van de eekhoorn, zullen de consequenties van de verwoesting van een deel van het leefgebied daar ook mogelijk meer impact hebben dan in een situatie waar maar van 4 nesten wordt uitgegaan i.p.v. 14. Moet, in de mening van het College, de aanvraag en de daarbij horende ecologische weging, heroverwogen worden? Zo niet: waarom niet?
3) In opdracht van gemeente Soest concludeert GRAS, op basis van deskresearch, dat “Het nemen van mitigerende en compenserende maatregelen zorgt ervoor dat er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de Europese rode eekhoorn in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.” Hoe verhoudt zich, volgens GS, die uitspraak ten opzichte van het veldonderzoek van een ecologisch adviesbureau (Viridis, 2025) die stelt dat in het geval dat de plannen door gaan “eekhoorns genoodzaakt {zijn} uit te wijken naar leefgebieden in de omgeving, waar door concurrentie met andere eekhoorns conflicten zullen ontstaan. Uiteindelijk zal dit leiden tot sterfte van individuen”?
4) Viridis is een ecologisch bureau dat ecologen in dienst heeft die voldoen aan de eisen van ministerie LVVN. GRAS is een adviesbureau dat weliswaar ecologen in dienst heeft, maar dat niet aangesloten is bij het Netwerk Groene Bureaus. Acht het College de weerlegging van de conclusies van het veldonderzoek van Viridis door GRAS, dat uitsluitend deskresearch heeft gedaan, voldoende? Zo ja, waarom?
5) Aangezien de conclusie van het Viridis-rapport (zie hierboven geciteerd) niet is meegenomen in de aanvraag van gemeente Soest, noch in de afwegingen van het College: acht het College dat de ecologische effecten van de vernietiging van het leefgebied van de rode eekhoorn in de aanvraag voldoende zijn onderzocht? Zo ja, waarom?
6) Viridis heeft vastgesteld dat niet alleen in dit plangebied, maar ook in aangrenzende percelen eekhoorns leven. Door de verdrijving van de eekhoorns uit dit plangebied, zal de hele populatie van eekhoorns in dat grotere gebied sterk onder druk komen te staan. Ziet het College een gevaar voor de gehele staat van instandhouding van deze beschermde soort, niet alleen binnen het plangebied? Zo ja: welke mogelijkheden ziet het College in de belangenafwegingen? Zo niet: waarom zou de staat van instandhouding van kwetsbare soorten alleen perceelsgewijs aangevlogen moeten worden en is die benadering in lijn met de Habitatrichtlijn en de omgevingswet?
7) Waarom worden deze stukken pas vrijwel tegen het einde van de bezwaartermijn gedeeld wanneer dat actief wordt opgevraagd door volksvertegenwoordigers, maar niet met betrokken stichtingen, die dan eigenlijk een WOO-verzoek zouden moeten indienen en de benodigde stukken te laat krijgen om goed bezwaar te maken? Is dit een gebruikelijke gang van zaken? Zo nee, kan de huidige werkwijze en het proces worden toegelicht? Dienen onderliggende stukken niet altijd gelijktijdig met het vergunningsbesluit openbaar gemaakt te worden, zeker als het ecologische onderzoeken betreffen die ten grondslag liggen aan het besluit? Kunnen we ervan uitgaan dat voortaan alle stukken bij de publicatie van een vergunningsbesluit direct en openbaar gemaakt worden?
olivia butterman
Partij voor de Dieren