Vraag

02 mei 2026

Schriftelijke vragen Natuurbranden door militaire oefeningen

In de afgelopen dagen zijn in verschillende provincies grote natuurbranden uitgebroken door militaire oefeningen van Defensie. Op de Veluwe bij ’t Harde woedde dagenlang een gigantische brand, maar ook bij natuurgebieden in de buurt van Oirschot, Weert en op de Edese heide zijn grote branden uitgebroken na militaire oefeningen.[1] Er woedden afgelopen week zoveel natuurbranden dat de Nederlandse brandweer buitenlandse hulpdiensten om assistentie heeft moeten vragen.[2]

Militaire oefenterreinen zijn vaak gelegen in natuurgebieden met een hoge en kwetsbare biodiversiteit. Het Rijksvastgoedbedrijf beheert deze terreinen, maar de provincie is verantwoordelijk voor de bescherming van de natuur en de dieren die er leven. Ook in Utrecht zijn er meerdere militaire oefenterreinen in natuurgebieden gelegen waar intensief wordt geoefend, zoals ook op de Leusderheide. Wij stellen daarom de volgende vragen aan het College:

1.     Bent u met ons van mening dat de veiligheid van omwonenden en de bescherming van de natuurgebieden en de dieren die er leven, bij extreme droogte altijd de eerste prioriteit moet zijn bij defensie-oefeningen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: “Beschermen wat ons dierbaar is" is de kernmissie van het Nederlandse Ministerie van Defensie. Daarvoor is het van belang dat Defensie haar taken kan uitoefenen en militairen afdoende getraind zijn. Hierbij hoort tegelijk ook dat deze oefeningen geen onaanvaardbare risico’s of schade opleveren voor datgene wat Defensie moet beschermen.

2.     Bent u met ons van mening dat natuurbranden een direct risico vormen voor de veiligheid van omwonenden en de natuur, en dat deze veiligheid leidend dient te zijn in de keuze voor het al of niet laten doorgaan van risicovolle militaire oefeningen?[3] Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Natuurbranden kunnen een risico vormen voor de veiligheid van mensen en dieren en kunnen schade brengen aan natuur. Maar niet elke brand vormt een direct risico. Het gaat erom te voorkomen dat een natuurbrand onbeheersbaar wordt. Daarbij dient er altijd een balans gezocht te worden tussen veiligheid, natuurwaarden en gebruiksfuncties. De kans op een natuurbrand als gevolg van militaire oefening is altijd 2 van 5 aanwezig. Per oefening worden risico mitigerende maatregelen genomen. Defensie heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid.

3.     Bent u met ons van mening dat Defensie haar oefeningen moet staken, wanneer het risico op een natuurbrand door droogte niet kan worden uitgesloten? Zo nee, waarom niet? 

Antwoord: Het is niet aan ons als provincie om te bepalen wanneer en waar Defensie wel of niet haar oefeningen kan houden. Dat is een eigen verantwoordelijkheid van Defensie.

4.     Bent u bekend met de protocollen en/of richtlijnen die Defensie hanteert bij periodes van aanhoudende droogte en verhoogd brandrisico? Kunnen deze met ons gedeeld worden? Zijn de protocollen en/of richtlijnen naar uw mening voldoende toegerust op natuurbrandpreventie in tijden van grote en aanhoudende droogte? Worden er naar uw idee voldoende preventieve maatregelen genomen tegen natuurbranden op militaire oefenterreinen? Kunt u uw antwoord toelichten? 

Antwoord: Er zijn interne Defensievoorschriften die voor wat betreft droogte aansluiten bij het landelijk protocol van Brandweer Nederland. Op landelijk niveau heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (IL&T) Defensie verzocht om het veiligheidsbeleid (voorschriften en protocollen) rondom oefeningen te evalueren en uiterlijk 1 juli 2026 de uitkomsten te rapporteren aan IL&T. Defensie gaat dit uitvoeren. Op regionaal niveau is Defensie in gesprek met o.a. de veiligheidsregio’s om het protocol, de processen en procedures tegen het licht te houden. Dit geldt ook voor de Veiligheidsregio Utrecht. Dit sluit aan bij de afspraken die binnen A tot Z zijn gemaakt rondom de preventie van onbeheersbare natuurbranden (zie vraag 9).

5.     Is er een inschatting van hoeveel beschermde dieren de afgelopen week zijn verbrand bij defensiebranden?

Antwoord: Een inschatting hiervan is bij ons niet bekend. Hierover heeft Defensie in de beantwoording van Kamervragen over dit onderwerp het volgende gemeld: 

Om een goed oordeel van de impact op de (beschermde) dieren te kunnen krijgen moet een goed en specifiek beeld zijn van de omvang van populaties voor en na de branden en de mogelijkheden tot herstel. De impact van de branden is voor de verschillende soortgroepen verschillend. Voor Artillerie Schietkamp (ASK) bij ’t Harde is het beeld van de impact als volgt en dit lijkt voor de andere terreinen vergelijkbaar: 

• Voor vogels lijkt de impact beperkt te zijn (zie ook: Impact natuurbranden: reptielen en amfibieën verdwijnen uit ’t Harde - NRC ; 

• Enkele dagen na de brand werd er volop activiteit van grondgebonden insecten waargenomen. Voor reptielen en amfibieën kan de brand wanneer deze dieper de grond is ingebrand desastreus zijn geweest. Niet al het verbrande terrein op ASK was ge schikt leefgebied voor reptielen en amfibieën; 

• Schade aan de fauna in het totale gebied bij ’t Harde betreft vooral insecten, reptielen en broedende vogels en hun nesten voor zover deze zich bevonden op de bodem of in struiken. Grotere fauna (herten, wilde zwijnen etc.) hebben voor het vuur kunnen wegkomen en er zijn geen resten van grotere fauna gevonden in de dagen na de brand. 

• Voor al het bodemleven geldt dat een groot deel de brand kan hebben overleefd; het vuur is erg snel over het gebied gegaan en de humuslaag is maar enkele mm ingebrand. Enkele dagen na de brand zijn er vlinders en insecten waargenomen, zijn actieve rode bosmieren zichtbaar en zijn er op de zwarte bodem veel zandspoortjes aanwezig van insecten die weer uit de bodem naar boven zijn gekomen. 

Zie voor de volledige beantwoording van de Kamervragen dd. 8 mei 2026: 20260508 Antwoord op Tweede Kamer vragen natuurbranden op defensieterreinen; en zie ook de Tweede Kamer-brief van 11 mei 2026: 20260511 Tweede Kamer-brief Natuurbranden in Nederland voorjaar 2026

6.     Hoe reflecteert u op de verhouding tussen inspanning en (publieke) middelen die geïnvesteerd worden in natuurbehoud en de roekeloosheid waarmee defensie verlies aan natuurkwaliteit en beschermd leven heeft veroorzaakt?

Antwoord: Wij kunnen niet beoordelen of er sprake was van roekeloos gedrag. Voor ons is die weging tussen (publieke) investeringen en verlies aan waarden als natuurkwaliteit en beschermde soorten ook niet te maken, mede omdat wij geen inzicht hebben in de verliezen. Daarnaast investeert Defensie zelf ook in het beheer van de natuurgebieden. Een natuurbrand kan op zichzelf ook positieve effecten hebben op de biodiversiteit. Daarom ook worden beheerbranden soms welbewust ingezet. Wij hebben bijvoorbeeld begrepen dat het getroffen naaldbos bij ‘t Harde versneld zal worden omgevormd naar meer ecologisch waardevol loofbos door komende winter loofhout aan te planten. Hierdoor zal de natuurwaarde stijgen, ook ten opzichte van de oorspronkelijke situatie.

7.     Hoe gaat Defensie dit verlies aan natuur tenietdoen dan wel compenseren, en op welk termijn? Is sprake van overtredingen van landelijke of Europese wetgeving? Zo ja, wat zijn daarvan de consequenties en welke sancties staan daarop? Op welke manier kunnen overheden of andere belanghebbenden Defensie juridisch aansprakelijk stellen voor de vernietiging van natuur en (beschermde) dieren?

Antwoord: De gebieden, waar de recente natuurbranden zijn uitgebroken, liggen niet in de provincie Utrecht. Het is aan het bevoegd gezag om te bezien of er overtredingen hebben plaatsgevonden. Wij hebben begrepen dat in opdracht van Defensie het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) direct na de branden is gestart met herstelmaatregelen.

8.     Wat voor soort militaire oefeningen vinden plaats in onze provincie? Kunt u per oefenterrein aangeven of het is toegestaan vuurwapens, explosieven, granaten, pyrotechnische middelen of andere brandgevaarlijke stoffen in te zetten? Kunt u per oefenterrein een beeld geven van de risico’s voor omwonenden en voor de natuur?

Antwoord: De militaire oefeningen in de provincie Utrecht vinden voornamelijk plaats op de oefenterreinen Leusderheide en de Vlasakkers. Hierbij worden tactische omstandigheden gesimuleerd om de vaardigheden van individuele militairen en eenheden te trainen. Het gebruik van vuurwapens en pyrotechnische middelen1 is daarbij gewoongoed en toegestaan, maar het gebruik van scherpe munitie, handgranaten of explosieve stoffen niet. Deze worden uitsluitend gebruikt en beoefend op schietbanen zoals het ASK (Artillerie Schiet Kamp) in ’t Harde of het ISK (Infanterie Schiet Kamp) Harskamp.

Sinds decennia worden de oefenterreinen in Utrecht gebruikt zoals nu, inclusief pyrotechnische middelen. Het risico richt zich vooral op tijdelijke hittebelasting inzake brandgevaar. Dit risico wordt gemitigeerd middels een voorschrift waarin de regels staan wie, wat, wanneer en waar pyrotechnische middelen mogen worden gebruikt. Zie voor het protocol rondom aanhoudende droogte het antwoord op vraag 4. Voor omwonenden kent het gebruik van pyrotechnische middelen geen direct gevaar.

9.     Heeft de Provincie Utrecht afspraken gemaakt met Defensie over de veiligheid van omwonenden en het risico op natuurbranden? Zo ja, kunnen deze afspraken met ons gedeeld worden? Is de provincie van oordeel dat deze afspraken de veiligheid van inwoners en de natuur voldoende waarborgen? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord: Allereerst geldt dat Defensie verantwoordelijk is voor de veiligheidssituatie op de terreinen en al daarom voldoende maatregelen dient te nemen om de veiligheid te garanderen. In het kader van het bestuursakkoord A tot Z van 13 februari 2026 zijn daarnaast specifieke afspraken gemaakt in het licht van de bredere inspanning ten aanzien van natuurbrandpreventie op de Heuvelrug. Deze afspraak luidt als volgt: “Partijen betrekken de aanpak van natuurbrandbeheersing Utrechtse Heuvelrug zoals beschreven in de Statenbrief d.d. 8 juli 2025 (kenmerk UTSP-1081408815-17387) en het rapport “Natuurbrandpreventie provincie Utrecht hoofdcompartimentering” (Borgman, 10 februari 2025) bij het voorkomen van onbeheersbare natuurbranden binnen het Gebied A tot Z. Defensie werkt een plan uit ter preventie van onbeheersbare natuurbranden op de militaire terreinen. Hierbij wordt de Veiligheidsregio Utrecht betrokken.” Met deze afspraak is de betrokkenheid van de provincie en de Veiligheidsregio bij de voorzorgsmaatregelen die Defensie op de terreinen binnen het gebied A tot Z neemt verzekerd.

10.  Welke rol heeft de Provincie Utrecht bij de uitbraak van een natuurbrand op een militair oefenterrein in onze provincie? Hoe verhoudt deze rol zich tot de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de Veiligheidsregio Utrecht bij een uitbraak van een natuurbrand? 

Antwoord: In beginsel heeft de provincie hierbij geen rol. Provincies hebben in principe geen operationele taken in de rampenbestrijding en crisisbeheersing. Die liggen bij de veiligheidsregio's. Afhankelijk van de aard en omvang van de ramp of crisis kan de Commissaris van de Koning een rol spelen, wanneer sprake is van een opgeschaald crisisbestuur (regionaal beleidsteam).

11.  Heeft u naar aanleiding van de recente natuurbranden in andere provincies contact gezocht met Defensie over de noodzaak van verscherpte richtlijnen voor brandgevaarlijke militaire oefeningen bij droogte?  Zo ja, welke (nieuwe) afspraken zijn daaruit voortgevloeid? Zo nee, bent u bereid om met de minister van Defensie in gesprek te gaan over natuurbrandpreventie bij militaire oefeningen, waaronder het staken van brandgevaarlijke oefeningen bij droogte? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord: Er is geen specifiek contact gezocht op bestuurlijk niveau. Met bovengenoemde bepaling in het bestuursakkoord A tot Z is al met Defensie afgesproken om een plan op de stellen voor het voorkomen van onbeheersbare natuurbranden. Staatssecretaris Boswijk heeft 8 april jl. een bezoek gebracht waarin is uitgesproken om alle afspraken uit het bestuursakkoord voortvarend op te pakken. Bij dit bezoek is ook het belang van de natuurwaarden op de terreinen en de impact op omwonenden benadrukt. Een extra specifiek gesprek met een bewindspersoon is nu niet noodzakelijk.

12.  Defensie heeft het voornemen om de oefenterreinen in onze provincie uit te breiden, ook in natuurgebieden, waaronder de terreinen bij Vlasakkers en op de Leusderheide. In hoeverre wordt daarmee het risico op natuurbranden vergroot? Hebben uitbreidingen van defensieterreinen tot gevolg dat brandgevaarlijke oefeningen dichter in de buurt van woonwijken plaatsvinden? Is er een analyse gemaakt van de veiligheids- en gezondheidsrisico’s voor omwonenden bij uitbreidingen van defensieterreinen? Zo ja, kan deze analyse met ons gedeeld worden? Zo nee, waarom niet, en bent u voornemens deze analyse binnenkort uit te voeren?

 Antwoord: De oefenterreinen in de provincie Utrecht worden niet uitgebreid. Voor de terreinen Vlasakkers en Leusderheide is in de Nationale Beleidsvisie Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) van december 2025 het voornemen vastgesteld om frequenter te landen met helikopters en het mogelijk te maken dat op grotere delen van het oefenterrein geland gaat worden. Voor het NPRD is een planMER gemaakt, zie: planMER NPRD. Er is daarbij ook specifiek onderzoek gedaan naar helikopterlandingsplaatsen. Dit voornemen moet nog worden verwerkt in wetgeving, zoals het Luchthavenbesluit. Daarvoor moet door Defensie nog nader onderzoek worden gedaan, onder meer naar veiligheidsaspecten. Dit wordt getoetst door het bevoegd gezag (ministerie van I&W). De provincie voert dit onderzoek niet zelf uit, maar de provincie wordt betrokken bij de uitwerking van het NPRD. Hierover is regelmatig overleg met Defensie

 

In de afgelopen dagen zijn in verschillende provincies grote natuurbranden uitgebroken door militaire oefeningen van Defensie. Op de Veluwe bij ’t Harde woedde dagenlang een gigantische brand, maar ook bij natuurgebieden in de buurt van Oirschot, Weert en op de Edese heide zijn grote branden uitgebroken na militaire oefeningen.[1] Er woedden afgelopen week zoveel natuurbranden dat de Nederlandse brandweer buitenlandse hulpdiensten om assistentie heeft moeten vragen.[2]

Militaire oefenterreinen zijn vaak gelegen in natuurgebieden met een hoge en kwetsbare biodiversiteit. Het Rijksvastgoedbedrijf beheert deze terreinen, maar de provincie is verantwoordelijk voor de bescherming van de natuur en de dieren die er leven. Ook in Utrecht zijn er meerdere militaire oefenterreinen in natuurgebieden gelegen waar intensief wordt geoefend, zoals ook op de Leusderheide. Wij stellen daarom de volgende vragen aan het College:

1.     Bent u met ons van mening dat de veiligheid van omwonenden en de bescherming van de natuurgebieden en de dieren die er leven, bij extreme droogte altijd de eerste prioriteit moet zijn bij defensie-oefeningen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: “Beschermen wat ons dierbaar is" is de kernmissie van het Nederlandse Ministerie van Defensie. Daarvoor is het van belang dat Defensie haar taken kan uitoefenen en militairen afdoende getraind zijn. Hierbij hoort tegelijk ook dat deze oefeningen geen onaanvaardbare risico’s of schade opleveren voor datgene wat Defensie moet beschermen.

2.     Bent u met ons van mening dat natuurbranden een direct risico vormen voor de veiligheid van omwonenden en de natuur, en dat deze veiligheid leidend dient te zijn in de keuze voor het al of niet laten doorgaan van risicovolle militaire oefeningen?[3] Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Natuurbranden kunnen een risico vormen voor de veiligheid van mensen en dieren en kunnen schade brengen aan natuur. Maar niet elke brand vormt een direct risico. Het gaat erom te voorkomen dat een natuurbrand onbeheersbaar wordt. Daarbij dient er altijd een balans gezocht te worden tussen veiligheid, natuurwaarden en gebruiksfuncties. De kans op een natuurbrand als gevolg van militaire oefening is altijd 2 van 5 aanwezig. Per oefening worden risico mitigerende maatregelen genomen. Defensie heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid.

3.     Bent u met ons van mening dat Defensie haar oefeningen moet staken, wanneer het risico op een natuurbrand door droogte niet kan worden uitgesloten? Zo nee, waarom niet? 

Antwoord: Het is niet aan ons als provincie om te bepalen wanneer en waar Defensie wel of niet haar oefeningen kan houden. Dat is een eigen verantwoordelijkheid van Defensie.

4.     Bent u bekend met de protocollen en/of richtlijnen die Defensie hanteert bij periodes van aanhoudende droogte en verhoogd brandrisico? Kunnen deze met ons gedeeld worden? Zijn de protocollen en/of richtlijnen naar uw mening voldoende toegerust op natuurbrandpreventie in tijden van grote en aanhoudende droogte? Worden er naar uw idee voldoende preventieve maatregelen genomen tegen natuurbranden op militaire oefenterreinen? Kunt u uw antwoord toelichten? 

Antwoord: Er zijn interne Defensievoorschriften die voor wat betreft droogte aansluiten bij het landelijk protocol van Brandweer Nederland. Op landelijk niveau heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (IL&T) Defensie verzocht om het veiligheidsbeleid (voorschriften en protocollen) rondom oefeningen te evalueren en uiterlijk 1 juli 2026 de uitkomsten te rapporteren aan IL&T. Defensie gaat dit uitvoeren. Op regionaal niveau is Defensie in gesprek met o.a. de veiligheidsregio’s om het protocol, de processen en procedures tegen het licht te houden. Dit geldt ook voor de Veiligheidsregio Utrecht. Dit sluit aan bij de afspraken die binnen A tot Z zijn gemaakt rondom de preventie van onbeheersbare natuurbranden (zie vraag 9).

5.     Is er een inschatting van hoeveel beschermde dieren de afgelopen week zijn verbrand bij defensiebranden?

Antwoord: Een inschatting hiervan is bij ons niet bekend. Hierover heeft Defensie in de beantwoording van Kamervragen over dit onderwerp het volgende gemeld: 

Om een goed oordeel van de impact op de (beschermde) dieren te kunnen krijgen moet een goed en specifiek beeld zijn van de omvang van populaties voor en na de branden en de mogelijkheden tot herstel. De impact van de branden is voor de verschillende soortgroepen verschillend. Voor Artillerie Schietkamp (ASK) bij ’t Harde is het beeld van de impact als volgt en dit lijkt voor de andere terreinen vergelijkbaar: 

• Voor vogels lijkt de impact beperkt te zijn (zie ook: Impact natuurbranden: reptielen en amfibieën verdwijnen uit ’t Harde - NRC ; 

• Enkele dagen na de brand werd er volop activiteit van grondgebonden insecten waargenomen. Voor reptielen en amfibieën kan de brand wanneer deze dieper de grond is ingebrand desastreus zijn geweest. Niet al het verbrande terrein op ASK was ge schikt leefgebied voor reptielen en amfibieën; 

• Schade aan de fauna in het totale gebied bij ’t Harde betreft vooral insecten, reptielen en broedende vogels en hun nesten voor zover deze zich bevonden op de bodem of in struiken. Grotere fauna (herten, wilde zwijnen etc.) hebben voor het vuur kunnen wegkomen en er zijn geen resten van grotere fauna gevonden in de dagen na de brand. 

• Voor al het bodemleven geldt dat een groot deel de brand kan hebben overleefd; het vuur is erg snel over het gebied gegaan en de humuslaag is maar enkele mm ingebrand. Enkele dagen na de brand zijn er vlinders en insecten waargenomen, zijn actieve rode bosmieren zichtbaar en zijn er op de zwarte bodem veel zandspoortjes aanwezig van insecten die weer uit de bodem naar boven zijn gekomen. 

Zie voor de volledige beantwoording van de Kamervragen dd. 8 mei 2026: 20260508 Antwoord op Tweede Kamer vragen natuurbranden op defensieterreinen; en zie ook de Tweede Kamer-brief van 11 mei 2026: 20260511 Tweede Kamer-brief Natuurbranden in Nederland voorjaar 2026

6.     Hoe reflecteert u op de verhouding tussen inspanning en (publieke) middelen die geïnvesteerd worden in natuurbehoud en de roekeloosheid waarmee defensie verlies aan natuurkwaliteit en beschermd leven heeft veroorzaakt?

Antwoord: Wij kunnen niet beoordelen of er sprake was van roekeloos gedrag. Voor ons is die weging tussen (publieke) investeringen en verlies aan waarden als natuurkwaliteit en beschermde soorten ook niet te maken, mede omdat wij geen inzicht hebben in de verliezen. Daarnaast investeert Defensie zelf ook in het beheer van de natuurgebieden. Een natuurbrand kan op zichzelf ook positieve effecten hebben op de biodiversiteit. Daarom ook worden beheerbranden soms welbewust ingezet. Wij hebben bijvoorbeeld begrepen dat het getroffen naaldbos bij ‘t Harde versneld zal worden omgevormd naar meer ecologisch waardevol loofbos door komende winter loofhout aan te planten. Hierdoor zal de natuurwaarde stijgen, ook ten opzichte van de oorspronkelijke situatie.

7.     Hoe gaat Defensie dit verlies aan natuur tenietdoen dan wel compenseren, en op welk termijn? Is sprake van overtredingen van landelijke of Europese wetgeving? Zo ja, wat zijn daarvan de consequenties en welke sancties staan daarop? Op welke manier kunnen overheden of andere belanghebbenden Defensie juridisch aansprakelijk stellen voor de vernietiging van natuur en (beschermde) dieren?

Antwoord: De gebieden, waar de recente natuurbranden zijn uitgebroken, liggen niet in de provincie Utrecht. Het is aan het bevoegd gezag om te bezien of er overtredingen hebben plaatsgevonden. Wij hebben begrepen dat in opdracht van Defensie het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) direct na de branden is gestart met herstelmaatregelen.

8.     Wat voor soort militaire oefeningen vinden plaats in onze provincie? Kunt u per oefenterrein aangeven of het is toegestaan vuurwapens, explosieven, granaten, pyrotechnische middelen of andere brandgevaarlijke stoffen in te zetten? Kunt u per oefenterrein een beeld geven van de risico’s voor omwonenden en voor de natuur?

Antwoord: De militaire oefeningen in de provincie Utrecht vinden voornamelijk plaats op de oefenterreinen Leusderheide en de Vlasakkers. Hierbij worden tactische omstandigheden gesimuleerd om de vaardigheden van individuele militairen en eenheden te trainen. Het gebruik van vuurwapens en pyrotechnische middelen1 is daarbij gewoongoed en toegestaan, maar het gebruik van scherpe munitie, handgranaten of explosieve stoffen niet. Deze worden uitsluitend gebruikt en beoefend op schietbanen zoals het ASK (Artillerie Schiet Kamp) in ’t Harde of het ISK (Infanterie Schiet Kamp) Harskamp.

Sinds decennia worden de oefenterreinen in Utrecht gebruikt zoals nu, inclusief pyrotechnische middelen. Het risico richt zich vooral op tijdelijke hittebelasting inzake brandgevaar. Dit risico wordt gemitigeerd middels een voorschrift waarin de regels staan wie, wat, wanneer en waar pyrotechnische middelen mogen worden gebruikt. Zie voor het protocol rondom aanhoudende droogte het antwoord op vraag 4. Voor omwonenden kent het gebruik van pyrotechnische middelen geen direct gevaar.

9.     Heeft de Provincie Utrecht afspraken gemaakt met Defensie over de veiligheid van omwonenden en het risico op natuurbranden? Zo ja, kunnen deze afspraken met ons gedeeld worden? Is de provincie van oordeel dat deze afspraken de veiligheid van inwoners en de natuur voldoende waarborgen? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord: Allereerst geldt dat Defensie verantwoordelijk is voor de veiligheidssituatie op de terreinen en al daarom voldoende maatregelen dient te nemen om de veiligheid te garanderen. In het kader van het bestuursakkoord A tot Z van 13 februari 2026 zijn daarnaast specifieke afspraken gemaakt in het licht van de bredere inspanning ten aanzien van natuurbrandpreventie op de Heuvelrug. Deze afspraak luidt als volgt: “Partijen betrekken de aanpak van natuurbrandbeheersing Utrechtse Heuvelrug zoals beschreven in de Statenbrief d.d. 8 juli 2025 (kenmerk UTSP-1081408815-17387) en het rapport “Natuurbrandpreventie provincie Utrecht hoofdcompartimentering” (Borgman, 10 februari 2025) bij het voorkomen van onbeheersbare natuurbranden binnen het Gebied A tot Z. Defensie werkt een plan uit ter preventie van onbeheersbare natuurbranden op de militaire terreinen. Hierbij wordt de Veiligheidsregio Utrecht betrokken.” Met deze afspraak is de betrokkenheid van de provincie en de Veiligheidsregio bij de voorzorgsmaatregelen die Defensie op de terreinen binnen het gebied A tot Z neemt verzekerd.

10.  Welke rol heeft de Provincie Utrecht bij de uitbraak van een natuurbrand op een militair oefenterrein in onze provincie? Hoe verhoudt deze rol zich tot de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de Veiligheidsregio Utrecht bij een uitbraak van een natuurbrand? 

Antwoord: In beginsel heeft de provincie hierbij geen rol. Provincies hebben in principe geen operationele taken in de rampenbestrijding en crisisbeheersing. Die liggen bij de veiligheidsregio's. Afhankelijk van de aard en omvang van de ramp of crisis kan de Commissaris van de Koning een rol spelen, wanneer sprake is van een opgeschaald crisisbestuur (regionaal beleidsteam).

11.  Heeft u naar aanleiding van de recente natuurbranden in andere provincies contact gezocht met Defensie over de noodzaak van verscherpte richtlijnen voor brandgevaarlijke militaire oefeningen bij droogte?  Zo ja, welke (nieuwe) afspraken zijn daaruit voortgevloeid? Zo nee, bent u bereid om met de minister van Defensie in gesprek te gaan over natuurbrandpreventie bij militaire oefeningen, waaronder het staken van brandgevaarlijke oefeningen bij droogte? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord: Er is geen specifiek contact gezocht op bestuurlijk niveau. Met bovengenoemde bepaling in het bestuursakkoord A tot Z is al met Defensie afgesproken om een plan op de stellen voor het voorkomen van onbeheersbare natuurbranden. Staatssecretaris Boswijk heeft 8 april jl. een bezoek gebracht waarin is uitgesproken om alle afspraken uit het bestuursakkoord voortvarend op te pakken. Bij dit bezoek is ook het belang van de natuurwaarden op de terreinen en de impact op omwonenden benadrukt. Een extra specifiek gesprek met een bewindspersoon is nu niet noodzakelijk.

12.  Defensie heeft het voornemen om de oefenterreinen in onze provincie uit te breiden, ook in natuurgebieden, waaronder de terreinen bij Vlasakkers en op de Leusderheide. In hoeverre wordt daarmee het risico op natuurbranden vergroot? Hebben uitbreidingen van defensieterreinen tot gevolg dat brandgevaarlijke oefeningen dichter in de buurt van woonwijken plaatsvinden? Is er een analyse gemaakt van de veiligheids- en gezondheidsrisico’s voor omwonenden bij uitbreidingen van defensieterreinen? Zo ja, kan deze analyse met ons gedeeld worden? Zo nee, waarom niet, en bent u voornemens deze analyse binnenkort uit te voeren?

 Antwoord: De oefenterreinen in de provincie Utrecht worden niet uitgebreid. Voor de terreinen Vlasakkers en Leusderheide is in de Nationale Beleidsvisie Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) van december 2025 het voornemen vastgesteld om frequenter te landen met helikopters en het mogelijk te maken dat op grotere delen van het oefenterrein geland gaat worden. Voor het NPRD is een planMER gemaakt, zie: planMER NPRD. Er is daarbij ook specifiek onderzoek gedaan naar helikopterlandingsplaatsen. Dit voornemen moet nog worden verwerkt in wetgeving, zoals het Luchthavenbesluit. Daarvoor moet door Defensie nog nader onderzoek worden gedaan, onder meer naar veiligheidsaspecten. Dit wordt getoetst door het bevoegd gezag (ministerie van I&W). De provincie voert dit onderzoek niet zelf uit, maar de provincie wordt betrokken bij de uitwerking van het NPRD. Hierover is regelmatig overleg met Defensie