Vragen over aanwijzing zeer kwetsbare gebieden op basis van de Wav (vervolg)


Indiendatum: feb. 2008

Onderwerp: schriftelijke vervolgvragen aan het college van GS, gesteld door Claudia Verkleij, Partij voor de Dieren, betreffende “ Procedure aanwijzing zeer kwetsbare gebieden op basis van de Wet Ammoniak en Veehouderij (Wav)” (2007RGW77)

Geacht college van Gedeputeerde Staten,

Toelichting
In de Rijnpost Vrijdag heeft op 14 december 2007 een artikel gestaan over de aanwijzing van gebieden als onderdeel van de beschermde EHS. De Raad van State zou volgens dit artikel gesteld hebben, dat de belangenafweging van de provincie bij het aanwijzen van natuurgebieden die speciale bescherming moeten genieten op grond van de Wet ammoniak en veehouderij onjuist is geweest. De Raad van State zou de eigenaren van het landgoed Ringelpoel (Rumelaar) in Woudenberg in het gelijk hebben gesteld wat betreft hun visie dat het provinciebestuur meer gekeken heeft naar de belangen van de veehouderij dan naar die van de natuur. Het landgoed zou tijdelijk uit de EHS zijn gehaald en hoeft door de tussentijdse wetswijziging niet meer beschermd te worden tegen verzuring, indien het later wel weer in de EHS opgenomen wordt. De bomen op het landgoed kunnen daar echter onder lijden.
Het hierboven gestelde komt niet overeen met de strekking van de beantwoording d.d. 5 november van de schriftelijke vragen van de Partij voor de Dieren betreffende “ Procedure aanwijzing zeer kwetsbare gebieden op basis van de Wet Ammoniak en Veehouderij (Wav)” (2007RGW77). Het college van GS heeft hierin aangegeven van mening te zijn dat de bescherming van natuurgebieden voorop moet staan bij de procedure van aanwijzing van kwetsbare gebieden op basis van de Wav.

Naar aanleiding hiervan willen wij de volgende vervolgvragen stellen:

1. Op grond van welke argumenten heeft Gedeputeerde Staten gemeend het landgoed Ringelpoel de EHS-status en daarmee tevens de Wav-bescherming te kunnen ontnemen zonder daarbij de belangen van de natuur te schaden?

2. Hoe verklaart u dat de Raad van State tot een tegenovergesteld oordeel is gekomen?

3. Bent u bereid om met de kennis van deze uitspraak van de Raad van State alle gebieden die uit de EHS zijn gehaald aan een onderzoek te onderwerpen wat betreft de beschermwaardigheid ervan? Zo nee, waarom niet?

4. Bent u bereid om de gebieden die destijds uit de EHS gehaald zijn op grond van dezelfde criteria als gehanteerd voor de Ringelpoel wederom de Wav-bescherming toe te kennen? Zo nee, waarom niet?

5. Hoe verhoudt zich het ontnemen van de EHS-status (en daarmee de bescherming van de Wav) aan de 12 genoemde gebieden tot de mening van Gedeputeerde Staten dat de bescherming van natuurgebieden voorop moet staan bij deze procedure?

6. Voor de aanwijzing van gebieden die kleiner zijn dan 50 ha gelden 3 criteria, waaronder het aanwezig zijn van meer dan 1 soort genoemd in bijlage II van de Habitatrichtlijn of in de Rode Lijsten flora en fauna (mits deze plantensoorten of de leefomgeving van de betreffende diersoorten zeer gevoelig zijn voor ammoniak). Heeft er recentelijk een grondige inventarisatie plaatsgevonden van de genoemde soorten in de 12 gebieden waaraan de EHS-status ontnomen is? Zo ja, kunt u ons deze gegevens toesturen?

7. In uw antwoord op vraag 4 vermeldt u, dat op de kaart bij het GS-besluit van december 2006 indicatief is aangegeven welke gebieden, binnen de EHS, voor verzuring gevoelig zijn. Wat bedoelt u precies met “indicatief”? Betekent dit dat de gebieden niet helder afgebakend zijn? Zo ja, welke consequenties heeft dit voor het aanwijzen van de gebieden?

8. In uw antwoord op vraag 10 geeft u aan dat uw doel is om in 2015 een depositieniveau va 600 mol ammoniak per hectare op zeer kwetsbare natuur en 1000 mol op kwetsbare natuur te bereiken. Op welke wijze bent u voornemens dit te realiseren? Wat is de stand van zaken op dit moment? Ligt de provincie Utrecht op schema wat betreft dit streven? Zo nee, welke extra inspanningen zullen gepleegd worden om het doel te realiseren?

Namens de fractie van de Partij voor de Dieren,
hoogachtend,
Drs. C. Verkleij

Indiendatum: feb. 2008
Antwoorddatum: 9 apr. 2008

Beantwoording vragen Partij voor de Dieren d.d. 30-01-2008

1. Op grond van welke argumenten heeft Gedeputeerde Staten gemeend het landgoed Ringelpoel de EHS-status en daarmee tevens de Wav-bescherming te kunnen ontnemen zonder daarbij de belangen van de natuur te schaden?
Antwoord GS: Wij hebben bij het opstellen van het Wav-besluit het reconstructieplan van de Gelderse Vallei als uitgangspunt genomen. In dit plan is samen met vertegenwoordigers van gemeenten, natuur-, milieu- en landbouworganisaties een zorgvuldige afweging gemaakt tussen de bescherming van voor verzuring gevoelige natuurgebieden en de mogelijkheden voor ontwikkeling van de agrarische sector.

2. Hoe verklaart u dat de Raad van State tot een tegenovergesteld oordeel is gekomen?
Antwoord GS: De Raad van State heeft naar aanleiding van het beroep geoordeeld dat de motivatie van ons besluit onvoldoende is. Zij heeft geen oordeel uitgesproken over de gevolgen voor de natuur van dit besluit.

3. Bent u bereid om met de kennis van deze uitspraak van de Raad van State alle gebieden die uit de EHS zijn gehaald aan een onderzoek te onderwerpen wat betreft de beschermwaardigheid ervan? Zo nee, waarom niet?
Antwoord GS: Nee, wij hebben de gebruikelijke procedures volgens de Algemene Wet bestuursrecht gevolgd. Tegen het besluit over de overige gebieden is geen beroep ingesteld. Inmiddels bereiden wij een besluit voor over het al dan niet plaatsen van het landgoed Ringelpoel in de EHS.

4. Bent u bereid om de gebieden die destijds uit de EHS gehaald zijn op grond van dezelfde criteria als gehanteerd voor de Ringelpoel wederom de Wav-bescherming toe te kennen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord GS: Nee, zie antwoord vraag 3.

5. Hoe verhoudt zich het ontnemen van de EHS-status (en daarmee de bescherming van de Wav) aan de 12 genoemde gebieden tot de mening van Gedeputeerde Staten dat de bescherming van natuurgebieden voorop moet staan bij deze procedure?
Antwoord GS: Zie antwoord bij vraag 1

6. Voor de aanwijzing van gebieden die kleiner zijn dan 50 ha gelden 3 criteria, waaronder het aanwezig zijn van meer dan 1 soort genoemd in bijlage II van de Habitatrichtlijn of in de Rode Lijsten flora en fauna (mits deze plantensoorten of de leefomgeving van de betreffende diersoorten zeer gevoelig zijn voor ammoniak). Heeft er recentelijk een grondige inventarisatie plaatsgevonden van de genoemde soorten in de 12 gebieden waaraan de EHS-status ontnomen is? Zo ja, kunt u ons deze gegevens toesturen?
Antwoord GS: Ja, er heeft recentelijk een inventarisatie van een deel van de gebieden plaatsgevonden. De gegevens vindt u in de bijlage.

7. In uw antwoord op vraag 4 vermeldt u, dat op de kaart bij het GS-besluit van december 2006 indicatief is aangegeven welke gebieden, binnen de EHS, voor verzuring gevoelig zijn. Wat bedoelt u precies met “indicatief”? Betekent dit dat de gebieden niet helder afgebakend zijn? Zo ja, welke consequenties heeft dit voor het aanwijzen van de gebieden?
Antwoord GS: Volgens de Wav in werking getreden op 31 mei 2002 geven gemeenten bij voorkomende aanvraag voor een milieuvergunning aan of een bepaald gebied al dan niet voor verzuring gevoelig is. Vanuit een oogpunt van duidelijkheid en dienstverlening voor een ieder hebben wij op een indicatieve wijze de voor verzuring gevoelige gebieden aangewezen. Wij hebben hierbij zo secuur mogelijk de wettelijke criteria voor de verzuring gevoelige gebieden toegepast. “Indicatief” heeft betrekking op het feit dat wij geen formele bevoegdheid hebben om gebieden als voor verzuring gevoelig aan te merken.

8. In uw antwoord op vraag 10 geeft u aan dat uw doel is om in 2015 een depositieniveau va 600 mol ammoniak per hectare op zeer kwetsbare natuur en 1000 mol op kwetsbare natuur te bereiken. Op welke wijze bent u voornemens dit te realiseren? Wat is de stand van zaken op dit moment? Ligt de provincie Utrecht op schema wat betreft dit streven? Zo nee, welke extra inspanningen zullen gepleegd worden om het doel te realiseren?
Antwoord GS: De provinciale beleidsdoelen voor ammoniakdepositie op kwetsbare natuurgebieden in Utrecht komen overeen met de rijksdoelen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP). Deze doelen waren voor de provincie uitgangspunt bij het opstellen van het Reconstructieplan Gelderse Vallei/Utrecht Oost.

In het kader van het m.e.r. Reconstructieplan is het effect van het provinciale ammoniakbeleid beschreven. De meest belangrijke conclusie is dat de doelen voor ammoniakdepositie in 2015 niet gehaald worden. Dit is met name het gevolg van een te hoge achtergronddepositie. Alleen als vrijwel alle intensieve veehouderij uit de Gelderse Vallei verdwijnt, is het kritische depositieniveau voor ammoniak op alle kwetsbare natuurgebieden bereikbaar. Dit is echter niet haalbaar.

De ambitie van de provincie, zoals vastgesteld door Provinciale Staten in het Reconstructieplan, is dan ook om de depositie van ammoniak vooral op de meest kwetsbare en waardevolle natuurgebieden verder te verminderen met behulp van de afwaartse beweging als gevolg van de reconstructiezonering, verplaatsing van bedrijven die een piekbelasting veroorzaken en de inzet van emissiebeperkende maatregelen.

Gedeputeerde Staten stelt zich op de hoogte van de depositie van ammoniak op de Utrechtse natuur aan de hand van de berekeningen van het Natuur- en Milieuplanbureau (NMP). De landelijke trend is dat de ammoniakdepositie daalt als gevolg van landelijk beleid ten aanzien van de aanwending van mest en de emissie uit stallen. Dit doen we op basis van landelijke gegevens van emissie en depositie.

In het kader van de Reconstructie zijn sinds de vaststelling van het plan in 2004 de volgende maatregelen uitgevoerd binnen de provincie die effect hebben op de emissie en/of depositie van ammoniak:
• Eén bedrijf, met een piekbelasting op natuur, is verplaatst. Met twee andere bedrijven worden op dit moment de mogelijkheden besproken.
• Aan 10 bedrijven is een subsidie verleend voor een luchtwasser. Hiermee wordt meer dan 44.000 keg ammoniak gereduceerd.
• In diverse projecten binnen de melkveehouderij wordt aandacht besteed aan efficiënt gebruik van stikstof. Hierdoor vermindert o.a. de emissie van ammoniak uit melkveestallen.

Naar onze mening hebben wij hiermee invulling gegeven aan de ambities van PS.
In 2009 zullen we de effecten van het Reconstructieplan in beeld brengen en de resultaten hiervan met PS bespreken.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer