Vragen over vergunning hazen­jacht Kromme Rijn­gebied


Indiendatum: mrt. 2008

Onderwerp: Schriftelijke vragen ex art. 47 van het RvO aan het College van GS, gesteld door Wanda Bodewitz, Partij voor de Dieren, betreffende de verleende vergunning aan Wildbeheereenheid Kromme Rijngebied voor het jagen op hazen

Geacht College van Gedeputeerde Staten,

Toelichting

Op 20 februari 2008 heeft de provincie Utrecht een ontheffing verleend aan Wildbeheereenheid Kromme Rijngebied in Tull en ’t Waal voor het afschieten van hazen buiten het reguliere jachtseizoen. De ontheffing is verleend vanwege te verwachten schade aan fruitbomen in het gebied. In het verleden zou schade zijn geconstateerd ondanks preventieve maatregelen.

In de Verordening schadebestrijding dieren provincie Utrecht 2004 én in het Faunabeheerplan Utrecht 2004-2008 staat de diersoort haas niet vermeld als soort welke bejaagd zou moeten worden vanwege het voorkomen van schade aan gewassen, vee of bossen. Verontrusting van het haas werd in deze provincie dus als voldoende beschouwd. Daarnaast stelt het Faunafonds in haar Handboek dat schade aan fruitbomen valt te voorkomen door het nemen van preventieve maatregelen, te weten afrastering. Het Faunafonds keert om die reden dan ook geen schadevergoeding uit als gevolg van schade aan fruitbomen ontstaan door hazen.

Naar aanleiding van het voorgaande, wil de fractie van de Partij voor de Dieren de volgende vragen stellen:

1) Een ontheffing wordt over het algemeen aangevraagd omwille van 2 redenen. Ten eerste omdat er belangrijke schade is of valt te verwachten. Ten tweede omdat de genomen preventieve maatregelen niet afdoende blijken te werken, zodat ondersteunend afschot noodzakelijk is. Ook bij deze ontheffing spelen zogenaamd beide redenen. De ontheffing in casu geldt alleen voor percelen voorzien van een deugdelijk raster. In de visie van het Faunafonds zou ontheffingverlening dus niet nodig hoeven te zijn.

a) Kunt u aangeven waarom in dit geval is afgeweken van de gestelde visie van het Faunafonds, zoals verwoord in het Handboek van het Faunafonds?
b) U geeft aan dat er in het verleden schade is ontstaan aan fruitbomen ondanks de rastering. Hoe verklaart u dat toen schade is ontstaan?
c) Hoeveel financiële schade was er?
d) In hoeverre is gecontroleerd of de afrastering deugdelijk was?

2) Wordt de deugdelijkheid van de genomen preventieve maatregelen ter plekke beoordeeld door de medewerker Flora- en faunawetgeving of wordt volstaan met overname van de aangeleverde (niet objectieve) informatie van de ontheffingaanvrager?

3) Door wie zijn de beheersregels in het handboek Faunaschade getoetst?

4) Deelt u de visie van het Faunafonds dat hazenschade aan fruitbomen valt te voorkomen, wanneer er een deugdelijk preventiemodel (rastering) wordt ingezet, zoals vermeld in het Handboek van het Faunafonds? Indien u deze visie niet deelt, kunt u aangeven waarom niet?

5) In de ontheffingsaanvraag wordt bij de genomen preventieve maatregelen afrasteren niet genoemd. Gesteld wordt door de aanvrager dat adequaat afgazen en de afgazing in stand houden een zeer kostbare aangelegenheid is. Wetende dat afrastering een afdoende maatregel is tegen schade aan fruitbomen door hazen waarom is er toch een afschotontheffing verleend?

6) Er wordt in de aanvraag slechts 1 preventieve maatregel genoemd, te weten het aanbieden van snoeihout als afleidend voer. Er moeten echter altijd 2 preventieve maatregelen genomen worden, waaronder een rondom geplaatst hazenkerend raster. Waarom is er toch een afschotontheffing verleend?

7) De medewerker Flora- en faunawetgeving van de afdeling vergunningverlening van de provincie Utrecht moet controleren of inderdaad de juiste maatregelen, zoals genoemd in het handboek Faunaschade, tegen hazenschade zijn genomen. Voor handhaving van vergunningen voor de Flora- en Faunawet staat voor de provincie Utrecht op jaarbasis maar 650 uur. Gezien de arbeidsintensiteit van de controle valt te verwachten dat er in feite niet of nauwelijks gehandhaafd wordt. Vindt u onze zorg terecht? Zo ja, bent u van plan meer uren beschikbaar te stellen voor het beoordelen en handhaven van afschotontheffingen?

8) Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat het voeren van een onderneming altijd bedrijfsrisico’s met zich meebrengt die niet voor 100% zijn te voorkomen en die niet achteraf voor 100% in geld zijn uit te drukken en uit te betalen? Zo ja, bent u het dan met mij eens dat het gestelde in het handboek Faunaschade samen met de reguliere jachtperiode voldoende is om schade te voorkomen en ondernemers tegemoet te komen in eventueel geleden schade? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u dan bereid om samen met de Partij voor de Dieren een actieplan op te stellen om afschotontheffingen in de provincie Utrecht te verminderen?

9) Op welk percentage van afschotontheffingen vind daadwerkelijk controle vooraf en handhaving van de ontheffing plaats?

10) Bent u gezien het feit dat het Faunafonds afrastering als preventiemaatregel afdoende vindt, en dat de aanvrager geen afrastering heeft toegepast omdat het te duur is, voornemens de ter sprake zijnde ontheffing met onmiddellijke ingang in te trekken? Zo nee, waarom niet? En wanneer de beantwoording van deze vragen volgt na 31 maart 2008: Bent u het, gezien het bovenstaande, met de Partij voor de Dieren eens dat de ontheffing onterecht is gebleken en onmiddellijk ingetrokken had dienen te worden? Zo nee, waarom niet?

11) Kunt u aangeven in hoeverre er reeds (tot op het moment van beantwoording van deze vragen) daadwerkelijk van de ontheffing gebruik is gemaakt?

Namens de fractie van de Partij voor de Dieren en hoogachtend,

Wanda Bodewitz

Indiendatum: mrt. 2008
Antwoorddatum: 3 jun. 2008

Beantwoording Schriftelijke vragen ex art. 47 van het Reglement van Orde aan het College van Gedeputeerde Staten gesteld door W. Bodewitz (Partij voor de Dieren) over de verleende vergunning aan Wildbeheereenheid Kromme Rijngebied voor het jagen op hazen, d.d. 26 maart 2008.

Toelichting:

Op 20 februari 2008 heeft de provincie Utrecht een ontheffing verleend aan Wildbeheereenheid Kromme Rijngebied in Tull en ’t Waal voor het afschieten van hazen buiten het reguliere jachtseizoen. De ontheffing is verleend vanwege te verwachten schade aan fruitbomen in het gebied. In het verleden zou schade zijn geconstateerd ondanks preventieve maatregelen.

In de Verordening schadebestrijding dieren provincie Utrecht 2004 én in het Faunabeheerplan Utrecht 2004-2008 staat de diersoort haas niet vermeld als soort welke bejaagd zou moeten worden vanwege het voorkomen van schade aan gewassen, vee of bossen. Verontrusting van het haas werd in deze provincie dus als voldoende beschouwd. Daarnaast stelt het Faunafonds in haar Handboek dat schade aan fruitbomen valt te voorkomen door het nemen van preventieve maatregelen, te weten afrastering. Het Faunafonds keert om die reden dan ook geen schadevergoeding uit als gevolg van schade aan fruitbomen ontstaan door hazen.

Reactie op toelichting:
Wij constateren dat de toelichting onvolledig en niet geheel correct is. De jacht op de haas is landelijk geregeld. De haas behoort tot een van de vijf soorten waarop de jacht in het gehele land is geopend in de periode van 15 oktober tot en met 31 december. In ons geldende ontheffingenbeleid is opgenomen dat buiten deze bejaagbare periode ontheffing mogelijk is indien sprake is van aantoonbare schade.
Het Faunafonds noemt in haar handboek meerdere preventieve maatregelen die betrekking hebben op hazen en fruit (appels en peren):
- bejaging
- plaatsen van gaasraster
- bevestigen van boommanchetten
- toebrengen geur- en smaakstoffen
- aanbieden van alternatief voedsel (snoeihout)
- afschot in onbejaagbare periode (artikel 68 ontheffing)

Naar aanleiding van het voorgaande, wil de fractie van de Partij voor de Dieren de volgende vragen stellen:


1) Een ontheffing wordt over het algemeen aangevraagd omwille van 2 redenen. Ten eerste omdat er belangrijke schade is of valt te verwachten. Ten tweede omdat de genomen preventieve maatregelen niet afdoende blijken te werken, zodat ondersteunend afschot noodzakelijk is. Ook bij deze ontheffing spelen zogenaamd beide redenen. De ontheffing in casu geldt alleen voor percelen voorzien van een deugdelijk raster. In de visie van het Faunafonds zou ontheffingverlening dus niet nodig hoeven te zijn.
a) Kunt u aangeven waarom in dit geval is afgeweken van de gestelde visie van het Faunafonds, zoals verwoord in het Handboek van het Faunafonds?
b) U geeft aan dat er in het verleden schade is ontstaan aan fruitbomen ondanks de rastering. Hoe verklaart u dat toen schade is ontstaan?
c) Hoeveel financiële schade was er?
d) In hoeverre is gecontroleerd of de afrastering deugdelijk was?

Antwoord:
a. er is niet afgeweken van de visie van Het Faunafonds. De ontheffing op voorhand is
verleend onder de voorwaarden genoemd in het positieve advies van het Faunafonds
bij brief van 1 februari 2008.
b. Schade is in het verleden ontstaan doordat zich binnen de afgerasterde boomgaarden
enkele hazen hebben opgehouden. Bekend is dat slechts enkele hazen in korte tijd
belangrijke schade kunnen veroorzaken. De ontheffing is verleend om deze hazen te
kunnen afschieten.
c. In 2006 is door het Faunafonds schade vastgesteld voor een bedrag van € 3.360,00
d. In 2006 is vooraf gecontroleerd en geconstateerd dat de afrastering deugdelijk was.


2) Wordt de deugdelijkheid van de genomen preventieve maatregelen ter plekke beoordeeld door de medewerker Flora- en faunawetgeving of wordt volstaan met overname van de aangeleverde (niet objectieve) informatie van de ontheffingaanvrager?

Antwoord:
Voor zover al ter plekke aanwezig beoordelen wij (vanuit vergunningverlening) de genomen preventieve middelen ter voorbereiding van de beschikking. De Algemene wet bestuursrecht kent namelijk een kennisvergaringsplicht en een plicht tot het vaststellen van de juiste feiten en omstandigheden alvorens op een aanvraag te beschikken. Desnoods wordt extra onderzoek ingesteld of extra informatie van de aanvrager verlangd. Als is beschikt op de aanvraag controleren wij (vanuit handhaving) de correcte naleving van de aan de ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen, waaronder het plaatsen en in standhouden van een hazenkerend raster.


3) Door wie zijn de beheersregels in het handboek Faunaschade getoetst?

Antwoord:
In het handboek van het Faunafonds staat een algemene beschrijving van de uitgangspunten van de Flora- en faunawet, de beleidsregels m.b.t. schadevergoedingen, informatie over schade en informatie over preventieve maatregelen. Er staan geen “beheersregels” in vermeld die moeten worden getoetst.


4) Deelt u de visie van het Faunafonds dat hazenschade aan fruitbomen valt te voorkomen, wanneer er een deugdelijk preventiemodel (rastering) wordt ingezet, zoals vermeld in het Handboek van het Faunafonds? Indien u deze visie niet deelt, kunt u aangeven waarom niet?

Antwoord:
Wij delen de visie van het Faunafonds dat preventieve maatregelen, zoals genoemd in het Handboek Faunaschade, belangrijke schade kunnen voorkomen. Hierin worden 6 maatregelen genoemd waaronder: plaatsen van een gaasraster en afschot in onbejaagbare periode (ontheffing artikel 68 FFW).


5) In de ontheffingsaanvraag wordt bij de genomen preventieve maatregelen afrasteren niet genoemd. Gesteld wordt door de aanvrager dat adequaat afgazen en de afgazing in stand houden een zeer kostbare aangelegenheid is. Wetende dat afrastering een afdoende maatregel is tegen schade aan fruitbomen door hazen waarom is er toch een afschotontheffing verleend?

Antwoord:
Wij zijn afgeweken van de aanvraag en hebben een ontheffing verleend met een duidelijke beperking. Daarover hebben wij vooroverleg gevoerd met de aanvrager en zijn zienswijze daaromtrent gevraagd. De afschotontheffing is, in afwijking van de aanvraag, op voorhand verleend om schade te voorkomen binnen afgerasterde schadegevoelige percelen met fruitbomen. In de ontheffingsvoorschriften is opgenomen dat op en rondom deze percelen te alle tijden ten minste twee in het handboek van het Faunafonds genoemde preventieve maatregelen genomen dienen te zijn, waaronder een rondom geplaatst hazenkerend raster. Het plaatsen van een afrastering is op zich zelf geen afdoende middel om schade te voorkomen.

6) Er wordt in de aanvraag slechts 1 preventieve maatregel genoemd, te weten het aanbieden van snoeihout als afleidend voer. Er moeten echter altijd 2 preventieve maatregelen genomen worden, waaronder een rondom geplaatst hazenkerend raster. Waarom is er toch een afschotontheffing verleend?

Antwoord:
Zie antwoord vraag 5


7) De medewerker Flora- en faunawetgeving van de afdeling vergunningverlening van de provincie Utrecht moet controleren of inderdaad de juiste maatregelen, zoals genoemd in het handboek Faunaschade, tegen hazenschade zijn genomen. Voor handhaving van vergunningen voor de Flora- en Faunawet staat voor de provincie Utrecht op jaarbasis maar 650 uur. Gezien de arbeidsintensiteit van de controle valt te verwachten dat er in feite niet of nauwelijks gehandhaafd wordt. Vindt u onze zorg terecht? Zo ja, bent u van plan meer uren beschikbaar te stellen voor het beoordelen en handhaven van afschotontheffingen?

Antwoord:
Het is ons bekend dat de handhaving van de natuurwetgeving niet op een adequaat niveau is. In het jaarlijks vast te stellen provinciale Uitvoeringsprogramma Vergunningverlening en Handhaving geven wij aan hoe de handhavingstaken in relatie tot de beschikbare menskracht zal worden ingezet. Voor 2008 is ons voornemen de handhavingsinspanning met 200 uur te verhogen. Daarnaast is in de ontwerp-Beleidsnota Flora- en faunawet als beleidsvoornemen opgenomen om vanaf 2009 (het programma voor 2008 is al vastgesteld) alleen nog die handhavingstaken uit te voeren waarvoor wij op grond van de wet direct verantwoordelijk zijn. Hierdoor zullen meer uren beschikbaar komen voor met name de handhaving van ontheffingsvoorschriften en de voorschriften verbonden aan de vrijstellingen op grond van de Verordening schadebestrijding dieren provincie Utrecht 2004.


8) Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat het voeren van een onderneming altijd bedrijfsrisico’s met zich meebrengt die niet voor 100% zijn te voorkomen en die niet achteraf voor 100% in geld zijn uit te drukken en uit te betalen? Zo ja, bent u het dan met mij eens dat het gestelde in het handboek Faunaschade samen met de reguliere jachtperiode voldoende is om schade te voorkomen en ondernemers tegemoet te komen in eventueel geleden schade? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u dan bereid om samen met de Partij voor de Dieren een actieplan op te stellen om afschotontheffingen in de provincie Utrecht te verminderen?

Antwoord:
a) Ja,
b) Nee, preventieve maatregelen en de reguliere jachtperiode op hazen voorkomen in de regel belangrijke mate schade aan kwetsbare gewassen of in dit geval schade aan fruitbomen. Er kunnen zich echter alsnog omstandigheden voordoen waarin een ontheffing op grond van artikel 68 noodzakelijk is. Om die reden benoemt het Faunafonds dit ook als een preventieve maatregel in het handboek Faunaschade.
c) Nee, om voornoemde reden zien wij geen noodzaak voor het opstellen van een actieplan. Terzijde merken wij op dat het aantal ontheffingen in het kader van artikel 68 van de Flora en faunawet in 2007 reeds zijn verminderd met ca. 50 % ten opzichte van 2006.


9) Op welk percentage van afschotontheffingen vind daadwerkelijk controle vooraf en handhaving van de ontheffing plaats?

Antwoord:
Iedere aanvraag bereiden wij zorgvuldig voor. Dit proces van wettelijke verplichtingen, beleidsinhoudelijke toets en vooroverleg met de aanvrager, waar noodzakelijk gecombineerd met een terreincontrole, voeren wij in principe voor iedere aanvraag uit, mede met het oog op mogelijke juridische procedures (zie ook vraag 2).
Volgens het Handhavingsprogramma controleren wij ten minste iedere ontheffing eenmaal op de naleving van de voorschriften, zodat wij iedere soort waarvoor ontheffing is verleend één keer kunnen beoordelen. De aan de Faunabeheereenheid verleende ontheffingen worden doorgemachtigd aan de Wildbeheereenheid, die deze weer doormachtigen aan de ontheffinggebruikers. Voor het gebruik van de ontheffing geeft de ontheffinggebruiker de planning van het gebruik door aan de handhaver. In de praktijk wordt vaker gecontroleerd bij de soorten waarvoor veel machtigingen worden doorgeschreven, zoals bijv. overwinterende ganzen.

10) Bent u gezien het feit dat het Faunafonds afrastering als preventiemaatregel afdoende vindt, en dat de aanvrager geen afrastering heeft toegepast omdat het te duur is, voornemens de ter sprake zijnde ontheffing met onmiddellijke ingang in te trekken? Zo nee, waarom niet? En wanneer de beantwoording van deze vragen volgt na 31 maart 2008: Bent u het, gezien het bovenstaande, met de Partij voor de Dieren eens dat de ontheffing onterecht is gebleken en onmiddellijk ingetrokken had dienen te worden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee, de ontheffing was niet onterecht, omdat deze volgens de voorschriften en beperkingen uitsluitend betrekking had op fruitteeltpercelen die rondom zijn voorzien van een deugdelijk raster volgens het advies van het Faunafonds.

11) Kunt u aangeven in hoeverre er reeds (tot op het moment van beantwoording van deze vragen) daadwerkelijk van de ontheffing gebruik is gemaakt?

Antwoord:
Er is één keer gebruik gemaakt van de ontheffing te weten op 23 februari 2008, bij deze actie is één haas geschoten.




Gedeputeerde Staten van Utrecht,

Voorzitter,

Secretaris,

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer