Vragen over afnemende hazen­po­pu­latie


Indiendatum: mrt. 2010

Onderwerp: Schriftelijke Vragen ex art. 47 van het RvO aan het College van Gedeputeerde Staten, betreffende de afnemende hazenpopulatie.
Gesteld door: Wanda Bodewitz, Partij voor de Dieren


Toelichting
In december 2009 hebben er meerdere persberichten in de kranten gestaan over het feit dat het niet goed gaat met de hazen in Nederland. De hazenpopulatie is in het afgelopen decennium met 30% afgenomen. Dat blijkt uit onderzoek van de Zoogdierenvereniging samen met SOVON en het CBS.
Door de verstedelijking en het verdwijnen van ruigten in het cultuurlandschap boet het leefgebied van hazen in toenemende mate in. Behalve de intensivering van de landbouw vormt de jacht een constante reducerende factor op de hazenpopulatie. Zowel door de plezierjacht als door de jacht op basis van ontheffingen staat deze soort onder vuur. Zo wordt in onze provincie ieder jaar een vergunning afgegeven voor het bestrijden van hazen.

Hazenstand 1997/2008

Sinds een aanzienlijke reductie van de hazenpopulatie in de jaren ‘70 heeft de soort zich niet meer hersteld. De populatie is zelfs t.o.v. 1950 met 25 tot 50 % afgenomen. Vertaald in de internationale beoordeling van het vóórkomen van een bepaalde diersoort is de haas verschoven van de categorie Least Concern naar Near Threatened. Nu er opnieuw een daling heeft plaatsgevonden in de al gereduceerde hazenpopulatie, denken wij dat het nodig is om het huidige beleid onder de loep te leggen en zodanig aan te passen dat de hazen niet nog verder opschuiven in de ladder van bedreigde diersoorten.

Graag willen we u hierover een aantal vragen voorleggen:

1.) Hoeveel hazen zijn er in de provincie Utrecht in de periode 1997-2009 afgeschoten in het kader van de jacht, en hoeveel in het kader van schadebestrijding?

2.) Zijn er gebieden in beheer van de provincie, waarvan de jachtrechten door de provincie verhuurd worden? Welke gebieden zijn dat?

Het Faunabeheerplan geeft aan dat er geen trendbeeld is van de hazenpopulatie in Utrecht. Wel bekend is dat de populatie vanaf 1970, en vervolgens vanaf 1997, sterk is afgenomen. Met een beter beeld van de provinciale populatieomvang zouden we de ernst van deze afname in kunnen schatten. Indien nodig zouden op basis hiervan maatregelen kunnen worden genomen.

3.) Kunt u aangeven of er momenteel inzet gepleegd wordt om een beeld te verkrijgen van de provinciale hazenpopulatie? Hoe en in samenwerking met welke organisatie zou deze peiling het best kunnen plaatsvinden?

4.) Recent is een ontheffing afgegeven voor bestrijding van de haas in het kader van het voorkomen van schade aan fruitboomgaarden. Omdat er in het verleden schade is toegebracht door hazen bij één van de boomgaarden, wordt er ieder jaar een vergunning afgegeven ter voorkoming van schade. Aangezien de populatie en daarmee de dichtheid van de hazen wisselt, is het echter niet zonder meer te verwachten dat deze schade élk jaar optreedt. Aan de hand van welke gegevens wordt bepaald of er ‘te verwachten belangrijke schade’ zal optreden?

5.) Als preventieve maatregelen tegen de knaagschade aan de onderste takken van fruitbomen is er snoeihout gedeponeerd in de hoop dat de hazen hiervan gebruik maken, en zijn er afrasteringen geplaatst. Een deugdelijk raster is, volgens de ontheffing, een vereiste. Kunt u uitleggen hoe de hazen, ondanks het deugdelijke raster, toch bij de fruitbomen geraken?

6.) Het Faunabeheerplan impliceert door haar titel dat er naast een reducerend beheer, ook een beheer zou moeten plaatsvinden ten gunste van een populatie. Wat vindt u van het idee om in een volgend Faunabeheerplan behalve de redenen voor het reduceren van een soort, ook de ecologische en landschappelijke elementen op te nemen die van belang zijn voor de soorten (de habitats) en daarbij de negatieve of positieve ontwikkelingen van de kwaliteit en het areaal van deze verschillende habitats weer te geven?

Een sterk reducerende factor op de hazenpopulatie zijn de ontwikkelingen en uitbreidingen in de intensieve landbouw. Het cultuurlandschap is dusdanig veranderd dat het heeft ingeboet op de aantrekkelijkheid als leefgebied voor hazen. Een aantal kleine aanpassingen in het agrarisch beheer hebben volgens de Zoogdierenvereniging een gunstig effect op de hazen: Het opdelen van percelen en deze afwisselend maaien; van binnen naar buiten maaien; kettingen voor de maaimachines waardoor de dieren gewaarschuwd worden, en verder: kleinere gewasseneenheden en ruige perceelranden.

7.) Kunt u aangeven in hoeverre dit soort maatregelen al worden toegepast in het kader van het weidevogelbeheer? Hoe zou er een uitbreiding van dit soort aanpassingen gerealiseerd kunnen worden?

Gelukkig bestaan er subsidiemogelijkheden voor de aanleg en het onderhoud van kleine land-schappelijke elementen. Deze vormen een belangrijk onderdeel in het habitat van diverse diersoorten, waaronder de haas. Toch is het voor particulieren nog steeds aantrekkelijk om soms eeuwenoude elementen uit het landschap te verwijderen ten behoeve van een efficiënt onderhoud en bedrijfsvoering. Waar natuur, landbouwgrond, bedrijfs- en woongebieden duidelijk gedifferentieerd zijn en in kaart gebracht, beperkt de natuur zich uiteraard niet tot de gebieden die haar zijn toebedeeld. Kleine en soms eeuwenoude elementen in het cultuur- landschap vormen onmisbare schakels tussen natuur- en cultuurgrond voor met name de fauna.

9.) Zou het mogelijk zijn deze elementen in kaart te brengen, en een vergunning of betaling te koppelen aan het verwijderen van deze elementen, wellicht via de Verordening bescherming Natuur en Landschap of de natuurbeschermingswet? Op welke andere wijze zou de provincie kunnen werken aan het versterken van het behoud of het herstel van deze elementen?

Door de toenemende verstedelijking speelt naast de kwalitatieve achteruitgang ook de kwantitatieve afname van geschikt habitat een grote rol. Meestal krijgen zowel de flora als de fauna weinig tot geen ruimte toebedeeld in nieuwbouwwijken en bedrijventerreinen. Rijnenburg lijkt een positieve uitzondering hierop: ‘Wonen in het landschap’ is hierin het uitgangspunt, en het duurzaam ontwikkelen van het gebied vormt een centrale rol. Het ‘klimaatatelier’ waarin de provincie deel heeft is hiervoor verantwoordelijk. Het streven naar nieuwbouw waarin een duurzame balans tussen de belangen van mens en milieu centraal staat, vinden we een goede ontwikkeling. Wel vragen we ons hierbij af in hoeverre bij de ontwikkeling van het gebied rekening wordt gehouden met de reeds aanwezige fauna. Uit reacties en acties van omwonenden blijkt bijvoorbeeld de aanwezige fauna bij de ontwikkeling van sportpark Rijnvliet in de Strijkviertelpolder (in de gemeente Utrecht) geen uitloopmogelijkheid te hebben; behalve via een autoweg. Een toename in de aanrijdingen van hazen vormt naast de verstedelijking en de intensivering van de landbouw een volgende reducerende factor op de populatie.

10.) Hoe zal er bij de ontwikkeling van Rijnenburg tijdens de werkzaamheden rekening gehouden worden met de aanwezige fauna?

11.) Is er ná ontwikkeling van dit gebied een even hoge soortendichtheid van de oorspronkelijke diersoorten te verwachten als vóór de ontwikkeling? Zo nee, hoe wordt dit habitatverlies gecompenseerd?

12.) Om het verlies aan habitat voor hazen maar ook voor andere dieren een halt toe te roepen, vroegen wij ons af of het mogelijk is om ( bijv. via het RO-instrumentarium) ook voor gebieden buiten de EHS een compensatie element te ontwikkelen waarbij het verdwijnen van habitat op de ene plek, gecompenseerd wordt door het geschikt maken van habitat op een andere plek. Wordt er reeds een balans hiervan bijgehouden? Wat zijn de mogelijkheden hiertoe?

Indiendatum: mrt. 2010
Antwoorddatum: 27 apr. 2010

Onderwerp: Beantwoording schriftelijke vragen ex art. 47 van het Reglement van Orde aan het college van GS, gesteld door W. Bodewitz, Partij voor de Dieren, betreffende de afnemende hazenpopulatie.

Hierbij de beantwoording van de schriftelijke vragen d.d. 02 maart 2010, van Statenlid W. Bodewitz van Partij voor de Dieren, inzake de afnemende hazenpopulatie.

Toelichting
In december 2009 hebben er meerdere persberichten in de kranten gestaan over het feit dat het niet goed gaat met de hazen in Nederland.1 De hazenpopulatie is in het afgelopen decennium met 30% afgenomen. Dat blijkt uit onderzoek van de Zoogdierenvereniging samen met SOVON en het CBS.
Door de verstedelijking en het verdwijnen van ruigten in het cultuurlandschap boet het leefgebied van hazen in toenemende mate in. Behalve de intensivering van de landbouw vormt de jacht een constante reducerende factor op de hazenpopulatie. Zowel door de plezierjacht als door de jacht op basis van ontheffingen staat deze soort onder vuur. Zo wordt in onze provincie ieder jaar een vergunning afgegeven voor het bestrijden van hazen.
2
hazenstand 1997/2008


Sinds een aanzienlijke reductie van de hazenpopulatie in de jaren ‘70 heeft de soort zich niet meer hersteld. De populatie is zelfs t.o.v. 1950 met 25 tot 50 % afgenomen.3 Vertaald in de internationale beoordeling van het vóórkomen van een bepaalde diersoort is de haas verschoven van de categorie Least Concern naar Near Threatened. Nu er opnieuw een daling heeft plaatsgevonden in de al gereduceerde hazenpopulatie, denken wij dat het nodig is om het huidige beleid onder de loep te leggen en zodanig aan te passen dat de hazen niet nog verder opschuiven in de ladder van bedreigde diersoorten.

1 http://www.frieschdagblad.nl/index.asp?artID=47142


Graag willen we u hierover een aantal vragen voorleggen:

1.) Hoeveel hazen zijn er in de provincie Utrecht in de periode 1997-2009 afgeschoten in het kader van de jacht, en hoeveel in het kader van schadebestrijding?

Antwoord:

Het aantal hazen dat geschoten is in het kader van de jacht is ons niet bekend. Er rust geen verplichting bij de jagers om het aantal geschoten hazen te registreren en te melden bij Rijk of Provincie. Op basis van een ontheffing zijn de volgende aantallen hazen geschoten:
2007: 2; 2008: 1; 2009: 1, 2010: 0.

2.) Zijn er gebieden in beheer van de provincie, waarvan de jachtrechten door de provincie verhuurd worden? Welke gebieden zijn dat?

Het Faunabeheerplan geeft aan dat er geen trendbeeld is van de hazenpopulatie in Utrecht. Wel bekend is dat de populatie vanaf 1970, en vervolgens vanaf 1997, sterk is afgenomen.4 Met een beter beeld van de provinciale populatieomvang zouden we de ernst van deze afname in kunnen schatten. Indien nodig zouden op basis hiervan maatregelen kunnen worden genomen.

2 http://www.zoogdiervereniging.nl/node/806

3 http://www.zoogdiervereniging.nl/sites/default/files/imce/nieuwesite/Projecten/downloads/2007RodeLijst.pdf

4 http://www.zoogdiervereniging.nl/sites/default/files/imce/nieuwesite/Projecten/downloads/2007RodeLijst.pdf

Antwoord:
Er zijn geen gebieden in beheer van de provincie waarvan het jachtrecht op basis van een jachthuurovereenkomst door de provincie wordt uitgegeven.

3.) Kunt u aangeven of er momenteel inzet gepleegd wordt om een beeld te verkrijgen van de provinciale hazenpopulatie? Hoe en in samenwerking met welke organisatie zou deze peiling het best kunnen plaatsvinden?

Antwoord:
Op dit moment wordt het project Zoogdieratlas Utrecht door de Zoogdiervereniging uitgevoerd. Dit is een samenwerkingsproject waarbij de provincie, het Utrechts Landschap, Landschaperfgoed Utrecht, de Dassenwerkgroep, de Vleermuiswerkgroep en de Zoogdiervereniging proberen om in drie jaren tijd zo veel mogelijk waarnemingen van zoogdieren beschikbaar te krijgen. Hiertoe worden vrijwilligers aangezet om waarnemingen te melden via de website van de zoogdieratlas. Ook worden andere gegevensbestanden hiervoor benut. Bijvoorbeeld de Ecodatabank van de provincie. Over enkele jaren is er dus weer een actueel overzicht van de verspreiding van de Utrechtse zoogdieren, inclusief de haas.

3.) Kunt u aangeven of er momenteel inzet gepleegd wordt om een beeld te verkrijgen van de provinciale hazenpopulatie? Hoe en in samenwerking met welke organisatie zou deze peiling het best kunnen plaatsvinden?

Reactie:

Volgens het Compendium voor de Leefomgeving, (dit is een uitgave het Centraal Bureau voor de Statistiek, het Planbureau voor de Leefomgeving en Wageningen Universiteit en Researchcentrum) was er in veel gebieden in Nederland na 1970 sprake van een dalende tendens. De oorzaken daarvan moeten worden gezocht in onder andere schaalvergroting en intensivering van de landbouw en het verlies aan houtwallen. Sinds 1997 is er nog steeds sprake van een matige afname. Deze afname heeft niet tot gevolg dat de minister het noodzakelijk vindt de status van de haas aan te passen. De haas wordt nog steeds beschouwd als een algemeen voorkomend wildsoort, waarop de jacht is geopend in de periode van 15 oktober tot en met 31 december

4.) Recent is een ontheffing afgegeven voor bestrijding van de haas in het kader van het voorkomen van schade aan fruitboomgaarden. Omdat er in het verleden schade is toegebracht door hazen bij één van de boomgaarden, wordt er ieder jaar een vergunning afgegeven ter voorkoming van schade. Aangezien de populatie en daarmee de dichtheid van de hazen wisselt, is het echter niet zonder meer te verwachten dat deze schade élk jaar optreedt. Aan de hand van welke gegevens wordt bepaald of er ‘te verwachten belangrijke schade’ zal optreden?

Antwoord:

Ieder jaar wordt op basis van een gemotiveerde aanvraag opnieuw beoordeeld of ontheffing kan worden verleend. De ontheffingen zijn jaarlijks verleend aan de Wildbeheereenheid Kromme Rijngebied, voor de periode van 1 januari tot 1 april, na de sluiting van de jacht. Bekend is dat in de wintertijd fruitbomen bijzonder kwetsbaar zijn en tijdens een periode met vorst, in verband met voedselschaarste, één of meerdere hazen in korte tijd belangrijke schade kunnen toebrengen aan fruitbomen, door vraat aan de bast. Als blijkt dat in omliggende gebieden hazen aanwezig zijn, is sprake van dreiging van schade. Een belangrijke voorwaarde is dat rondom de fruitboomgaarden een hazenkerend raster aanwezig moet zijn. Zie verder antwoord op vraag 5.

5.) Als preventieve maatregelen tegen de knaagschade aan de onderste takken van fruitbomen is er snoeihout gedeponeerd in de hoop dat de hazen hiervan gebruik maken, en zijn er afrasteringen geplaatst. Een deugdelijk raster is, volgens de ontheffing, een vereiste. Kunt u uitleggen hoe de hazen, ondanks het deugdelijke raster, toch bij de fruitbomen geraken?

Antwoord:

Het betreft incidentele gevallen (zie antwoord op vraag 1), waarbij hazen toch de gelegenheid krijgen om binnen de afrastering te komen, bijvoorbeeld op het moment dat iemand een hek per ongeluk een korte tijd open laat staan of dat door onvoorziene omstandigheden een gat in het raster is ontstaan.


6.) Het Faunabeheerplan impliceert door haar titel dat er naast een reducerend beheer, ook een beheer zou moeten plaatsvinden ten gunste van een populatie. Wat vindt u van het idee om in een volgend Faunabeheerplan behalve de redenen voor het reduceren van een soort, ook de ecologische en landschappelijke elementen op te nemen die van belang zijn voor de soorten (de habitats) en daarbij de negatieve of positieve ontwikkelingen van de kwaliteit en het areaal van deze verschillende habitats weer te geven?

Antwoord:

Het Faunabeheerplan heeft vooral betrekking op het bieden van oplossingen in gevallen waarbij beschermde diersoorten andere belangen schaden of dreigen te schaden.
Op basis van artikel 67 en 68 van de Flora- en faunawet kunnen Faunabeheerplannen geëist worden. Deze artikelen hebben betrekking op het beperken van de stand van bepaalde diersoorten en op het verlenen van ontheffingen van bepaalde verboden in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid, in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren, ter voorkoming van schade aan flora en fauna. Bij artikel 68 kan dit ook gebeuren met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen belangen. Van belang hierbij is dat de handeling geen afbreuk mag doen aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort.

Het door u voorgestelde idee om beheer ten gunste van de haas op te nemen in het Faunabeheerplan ligt niet voor de hand. De haas is een wildsoort waarop artikel 37 van de wet betrekking heeft: de jachthouder is verplicht datgene te doen wat een goed jachthouder betaamt om een redelijke stand van het in zijn jachtveld aanwezige wild te handhaven dan wel, bij het ontbreken daarvan, te bereiken.

(7) Een sterk reducerende factor op de hazenpopulatie zijn de ontwikkelingen en uitbreidingen in de intensieve landbouw. Het cultuurlandschap is dusdanig veranderd dat het heeft ingeboet op de aantrekkelijkheid als leefgebied voor hazen. Een aantal kleine aanpassingen in het agrarisch beheer hebben volgens de Zoogdierenvereniging een gunstig effect op de hazen: Het opdelen van percelen en deze afwisselend maaien; van binnen naar buiten maaien; kettingen voor de maaimachines waardoor de dieren gewaarschuwd worden, en verder: kleinere gewasseneenheden en ruige perceelranden.

7.) Kunt u aangeven in hoeverre dit soort maatregelen al worden toegepast in het kader van het weidevogelbeheer? Hoe zou er een uitbreiding van dit soort aanpassingen gerealiseerd kunnen worden?

Antwoord:

Voor een deel van de genoemde maatregelen kunnen agrariërs subsidie verkrijgen, op basis van het Subsidiestelsel natuur- en landschapsbeheer (SNL), dat op 20 april 2009 door uw staten is vastgesteld. Het betreft maatregelen die agrariërs kunnen nemen als onderdeel van het weidevogelbeheer of het botanische beheer. In de bij de SNL behorende Index natuur- en beheertypen vindt u alle maatregelen waarvoor agrariërs subsidie kunnen verkrijgen.

9.) Gelukkig bestaan er subsidiemogelijkheden voor de aanleg en het onderhoud van kleine land-schappelijke elementen. Deze vormen een belangrijk onderdeel in het habitat van diverse diersoorten, waaronder de haas. Toch is het voor particulieren nog steeds aantrekkelijk om soms eeuwenoude elementen uit het landschap te verwijderen ten behoeve van een efficiënt onderhoud en bedrijfsvoering. Waar natuur, landbouwgrond, bedrijfs- en woongebieden duidelijk gedifferentieerd zijn en in kaart gebracht, beperkt de natuur zich uiteraard niet tot de gebieden die haar zijn toebedeeld. Kleine en soms eeuwenoude elementen in het cultuur- landschap vormen onmisbare schakels tussen natuur- en cultuurgrond voor met name de fauna.

9.) Zou het mogelijk zijn deze elementen in kaart te brengen, en een vergunning of betaling te koppelen aan het verwijderen van deze elementen, wellicht via de Verordening bescherming Natuur en Landschap of de natuurbeschermingswet? Op welke andere wijze zou de provincie kunnen werken aan het versterken van het behoud of het herstel van deze elementen?

Antwoord:

Agrariërs kunnen op basis van de SNL en de KLE subsidie verkrijgen voor het onderhoud van landschapselementen hetgeen bijdraagt aan het behoud van deze elementen.
Daarnaast bestaan er plannen om in de Landschapsverordening Provincie Utrecht 2010 (de opvolger van de Verordening bescherming Natuur en Landschap) een regeling op te nemen voor de bescherming van de kleine landschapselementen. Er wordt nog nagedacht over de vorm.


10.) Door de toenemende verstedelijking speelt naast de kwalitatieve achteruitgang ook de kwantitatieve afname van geschikt habitat een grote rol. Meestal krijgen zowel de flora als de fauna weinig tot geen ruimte toebedeeld in nieuwbouwwijken en bedrijventerreinen. Rijnenburg lijkt een positieve uitzondering hierop: ‘Wonen in het landschap’ is hierin het uitgangspunt, en het duurzaam ontwikkelen van het gebied vormt een centrale rol. Het ‘klimaatatelier’ waarin de provincie deel heeft is hiervoor verantwoordelijk. Het streven naar nieuwbouw waarin een duurzame balans tussen de belangen van mens en milieu centraal staat, vinden we een goede ontwikkeling. Wel vragen we ons hierbij af in hoeverre bij de ontwikkeling van het gebied rekening wordt gehouden met de reeds aanwezige fauna. Uit reacties en acties van omwonenden blijkt bijvoorbeeld de aanwezige fauna bij de ontwikkeling van sportpark Rijnvliet in de Strijkviertelpolder (in de gemeente Utrecht) geen uitloopmogelijkheid te hebben; behalve via een autoweg. Een toename in de aanrijdingen van hazen vormt naast de verstedelijking en de intensivering van de landbouw een volgende reducerende factor op de populatie.

10.) Hoe zal er bij de ontwikkeling van Rijnenburg tijdens de werkzaamheden rekening gehouden worden met de aanwezige fauna?

Antwoord:

Op basis van de Flora- en faunawet zijn beschermde diersoorten ingedeeld op basis van de mate van bedreiging. Initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen dienen, indien er beschermde soorten in een gebied aanwezig zijn, rekening te houden met deze soorten. Afhankelijk van de mate van bedreiging zullen aan ontheffingen mitigatie en/of compensatie gekoppeld worden. Deze ontheffingen zijn een verantwoordelijkheid van het Ministerie van LNV.

11.) Is er ná ontwikkeling van dit gebied een even hoge soortendichtheid van de oorspronkelijke diersoorten te verwachten als vóór de ontwikkeling? Zo nee, hoe wordt dit habitatverlies gecompenseerd ?

Antwoord:

Indien er strikt beschermde soorten in het gebied voorkomen dan zullen daarvoor compenserende maatregelen aan ontheffingen gekoppeld worden. Dit betreft een verantwoordelijkheid van het Ministerie van LNV.

12.) Om het verlies aan habitat voor hazen maar ook voor andere dieren een halt toe te roepen, vroegen wij ons af of het mogelijk is om ( bijv. via het RO-instrumentarium) ook voor gebieden buiten de EHS een compensatie element te ontwikkelen waarbij het verdwijnen van habitat op de ene plek, gecompenseerd wordt door het geschikt maken van habitat op een andere plek. Wordt er reeds een balans hiervan bijgehouden? Wat zijn de mogelijkheden hiertoe?

Antwoord:

Compensatie wordt door de wetgever afhankelijk gesteld van de mate van bedreiging.


Gedeputeerde Staten van Utrecht,

Voorzitter,

Secretaris,

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer