Vragen over afschot vossen met behulp van kunst­licht (vervolg)


Indiendatum: mei 2011

Geacht college van gedeputeerde staten,

Toelichting

Op 31 januari 2011 hebben wij schriftelijke vragen gesteld aan het College van GS over afschot van vossen met behulp van kunstlicht. Op 8 maart 2011 ontvingen wij de antwoorden. Naar aanleiding hiervan willen we nog een aantal vervolgvragen stellen.

In uw antwoorden op onze vragen beroept u zich op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (ABBB) die van belang zijn in de relatie tussen overheid en burgers. U haalt daarbij het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel aan. Beide beginselen hebben hier echter zeker geen onverkorte werking en zijn zelfs deels contradictoir aan de door u gegeven antwoorden. Zo kent het door u aangehaalde rechtszekerheidsbeginsel namelijk het vereiste dat de overheid de geldende rechtsregels juist en consequent moet toepassen.
De ABBB zijn een product van de jurisprudentie. Uit deze jurisprudentie is echter ook het zorgvuldigheidsbeginsel gekristalliseerd en dit beginsel stelt dat de overheid eerst zorgvuldig onderzoek moet verrichten en op basis daarvan moet een goed onderbouwde besluitvorming plaatsvinden. Hier is in casu niet aan voldaan, aangezien niet is opgemerkt dat er strijd is met internationaal recht. Er is dus niet alleen strijd met de Beneluxbeschikking, maar ook met de door uzelf aangehaalde ABBB. Overigens is de Beneluxbeschikking juridisch van een hogere rangorde dan de ABBB. Een en ander is bevestigd door jurisprudentie van de Rechtbank Leeuwarden en de Rechtbank Zwolle.

De Rechtbank Leeuwarden (16 december 2010) en de Rechtbank Zwolle (26 januari 2011) kwamen beiden tot de conclusie dat een ontheffing voor jacht op vossen met behulp van kunstlicht in strijd is met de Beneluxbeschikking en daardoor verboden.
De Rechtbank Leeuwarden stelt dat “artikel 9, zesde lid, van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren in strijd is met de Beneluxbeschikking M(96)8 en dat dit artikellid daarom onverbindend is. Dit betekent dat artikel 68, eerste lid, aanhef en onder d, van de Ffw buiten toepassing moet worden gelaten voor zover daarin de bevoegdheid wordt gegeven ontheffing te verlenen voor het doden van vossen met behulp van kunstmatige lichtbronnen.”
De Rechtbank Zwolle stelt: “de Beneluxbeschikking bevat een limitatieve opsomming van de
middelen die bij de uitoefening van de jacht zijn toegestaan. Kunstmatige lichtbronnen zijn in de
Beneluxbeschikking niet aangewezen als een toegestaan middel. De Beneluxbeschikking kent geen
uitzonderingsbepalingen, zodat moet worden geoordeeld dat het gebruik van kunstmatige
lichtbronnen voor de jacht op grond van de Beneluxbeschikking verboden is.”

1. Deelt u de mening dat de door u verleende ontheffing in strijd is met de ABBB, namelijk het zorgvuldigheidsbeginsel, aangezien de provincie een ontheffing heeft verleend die niet verleend had mogen worden? Zo nee, waarom niet?

De bepalingen van de Beneluxovereenkomst en van de Beneluxbeschikking Middelen moeten worden aangemerkt als ‘een ieder verbindende bepalingen van internationaal recht’, als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet. Artikel 94 luidt als volgt: ‘Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.’
Dit betekent dat de provincie Utrecht, net als eerder de provincies Friesland en Flevoland, in strijd handelt met internationaal recht door een ontheffing te verlenen voor afschot van vossen met behulp van kunstlicht op grond van artikel 68 lid 1 sub d Flora- en Faunawet.
De overheid heeft een voorbeeldfunctie naar de burger. De Provincie Utrecht verwacht van haar inwoners dat zij zich aan de regels houden. Een zichzelf respecterende overheid kan daarom niet zelf achteloos hogere regelgeving terzijde schuiven en een onrechtmatige situatie in stand laten.

2. Bent u voornemens u te houden aan het recht en de huidige onrechtmatige situatie op te heffen? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo nee, waarom blijft u volharden in het in stand houden van een onrechtmatige situatie?

3. Bent u bereid om in het vervolg af te zien van het verlenen van ontheffingen voor het doden van vossen met behulp van kunstmatige lichtbronnen?

De genoemde uitspraken richten zich op de onrechtmatigheid van het middel. Eerder heeft de provincie Utrecht ook ontheffing verleend om konijnen te bejagen met behulp van kunstmatige lichtbronnen.

4. Bent u bereid om in het vervolg af te zien van het verlenen van ontheffingen voor het doden van dieren met behulp van kunstmatige lichtbronnen?

Namens de fractie van de Partij voor de Dieren en hoogachtend,


Willem van der Steeg

Indiendatum: mei 2011
Antwoorddatum: 7 jun. 2011

Antwoorden ontvangen op: 7 juni 2011.

Antwoorden over afschot vossen met behulp van kunstlicht

1. Deelt u de mening dat de door u verleende ontheffing in strijd is met de ABBB, namelijk het zorgvuldigheidsbeginsel, aangezien de provincie een ontheffing heeft verleend die niet verleend had mogen worden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Wij zijn van mening dat de verleende ontheffing niet in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. De Nederlandse wet- en regelgeving staat immers toe dat er een ontheffing wordt gegeven voor het gebruik van dit middel. Dit is al vele jaren de praktijk, zowel in de provincie Utrecht als in de rest van Nederland. Ten aanzien van strijd met de Beneluxbeschikking is er geen sprake van consistente jurisprudentie. Bovendien is tegen de uitspraak van de Rechtbank Leeuwarden hoger beroep ingesteld zodat er in deze zaak nog geen definitieve uitspraak is. Gelet op het bovenstaande stond, en staat, dan ook niet vast dat geen ontheffing verleend had mogen worden. De bepalingen van de Beneluxovereenkomst en van de Beneluxbeschikking Middelen moeten worden aangemerkt als ‘een ieder verbindende bepalingen van internationaal recht’, als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet. Artikel 94 luidt als volgt: ‘Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.’ Dit betekent dat de provincie Utrecht, net als eerder de provincies Friesland en Flevoland, in strijd handelt met internationaal recht door een ontheffing te verlenen voor afschot van vossen met behulp van kunstlicht op grond van artikel 68 lid 1 sub d Flora- en Faunawet. De overheid heeft een voorbeeldfunctie naar de burger. De Provincie Utrecht verwacht van haar inwoners dat zij zich aan de regels houden. Een zichzelf respecterende overheid kan daarom niet zelf achteloos hogere regelgeving terzijde schuiven en een onrechtmatige situatie in stand laten.

2. Bent u voornemens u te houden aan het recht en de huidige onrechtmatige situatie op te heffen? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo nee, waarom blijft u volharden in het in stand houden van een onrechtmatige situatie?

Antwoord:
Wij zijn voornemens ons te houden aan de geldende wet- en regelgeving. Zoals hierboven is aangegeven staat echter nog niet vast dat er sprake is van strijd met de regelgeving. Wat betreft de verwijzing naar artikel 94 van de Grondwet merken wij op dat het hierbij moet gaan om ‘een ieder bindende bepalingen’. In de Beneluxovereenkomst zelf is aangegeven dat de beschikkingen slechts de regeringen verbinden en dat de bepalingen geen rechtstreekse werking hebben. Indien dit het geval is, zijn wij niet bevoegd de nationale wetgeving buiten toepassing te laten. Op dit moment is er dan ook geen aanleiding om de eerder afgegeven ontheffingen in te trekken. Indien de Raad van State uitspraak heeft gedaan in de Friese zaak zullen wij ons hierover nader bezinnen waarbij wij ook de algemene beginselen van bestuur zullen betrekken.

3. Bent u bereid om in het vervolg af te zien van het verlenen van ontheffingen voor het doden van vossen met behulp van kunstmatige lichtbronnen?

Antwoord:
Indien vaststaat dat de Nederlandse wetgeving op dit punt in strijd is met de Beneluxovereenkomst en indien duidelijk is dat de bepalingen hiervan rechtstreekse werking hebben zullen wij hier geen ontheffingen meer voor verlenen. Zoals aangegeven is dit op dat moment nog niet het geval. Vanzelfsprekend zullen wij mogelijke aanvragers wijzen op de ontstane onzekere situatie en als gevolg daarvan terughoudend omgaan met het in behandeling nemen van nieuwe aanvragen. De genoemde uitspraken richten zich op de onrechtmatigheid van het middel. Eerder heeft de provincie Utrecht ook ontheffing verleend om konijnen te bejagen met behulp van kunstmatige lichtbronnen.

4. Bent u bereid om in het vervolg af te zien van het verlenen van ontheffingen voor het doden van dieren met behulp van kunstmatige lichtbronnen?

Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 3.

Gedeputeerde Staten van Utrecht,
Voorzitter,
Secretaris

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer