Vragen over onderzoek naar schade door meer­koeten door SOVON (vervolg)


Indiendatum: feb. 2011

Datum: 25 februari 2011

Onderwerp: schriftelijke vragen ex art. 47 RvO aan het College van GS, gesteld door Wanda Bodewitz van de Partij voor de Dieren betreffende antwoorden van GS op onze vragen over afschot bij schadebestrijding van meerkoeten.

Geacht college van gedeputeerde staten,

Toelichting

Op 1 oktober 2010 hebben wij schriftelijke vragen gesteld aan het College van GS over afschot van meerkoeten als maatregel voor schadebestrijding. Op 26 oktober 2010 ontvingen wij de antwoorden. Naar aanleiding hiervan willen we nog een aantal vervolgvragen stellen.

In uw antwoord op vraag 2 legt u uit dat ondersteunend afschot van meerkoeten alleen is toegestaan voor percelen waar door de aanwezigheid van grote groepen meerkoeten belangrijke schade dreigt.

1. Kunt u aangeven op hoeveel plaatsen binnen de provincie tussen september 2009 en april 2010 gebruik is gemaakt van de ontheffing voor ondersteunend afschot? Kunt u daarbij aangeven om welke locaties het ging?

2. Kunt u tevens uitleggen hoeveel meerkoeten maximaal per locatie geschoten mogen worden?

In uw antwoord op vraag 4 stelt u dat geen informatie bij u bekend is waaruit blijkt dat bij meerkoeten snel gewenning optreedt bij ondersteunend afschot. Zoals ook genoemd in de vorige vragenset bestaan wel degelijk aanwijzingen dat bij meerkoeten gewenning optreedt bij ondersteunend afschot. SOVON Vogelonderzoek stelt: ‘Een bijkomend probleem is dat de Meerkoet zeer snel gewenning laat zien aan verschillende vormen van visuele en akoestische afschrikmiddelen. Zelfs voor de afschrikwekkende werking bij ondersteunend afschot lijkt gewenning op te treden (Gerritse 1976’).

3. Bent u bereid te onderzoeken of deze gewenning ook in de Provincie Utrecht optreedt en of ondersteunend afschot wel effectief is?

4. Kunt u uiteenzetten hoe hoog het maximale bedrag is dat grondeigenaren aan preventieve maatregelen uit moeten geven? Hoe wordt dit bedrag berekend? Kunt u tevens uitleggen hoe dit bedrag zich verhoudt ten opzichte van de schadebedragen die uitgekeerd worden?

5. Bent u bereid in contact te treden met eigenaren om groenblauwe diensten, in dit geval diervriendelijke verjaagmethoden (bijv. het aanpassen van de oevervegetatie), te stimuleren op schadepercelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u tevens bereid een experiment te starten op de percelen waar de afgelopen vijf jaar, drie keer schade is geclaimd?


Namens de fractie van de Partij voor de Dieren en hoogachtend,


Wanda Bodewitz


Indiendatum: feb. 2011
Antwoorddatum: 29 mrt. 2011

Antwoorden ontvangen op: 29 maart 2011

Antwoorden over onderzoek naar schade door meerkoeten door SOVON (vervolg)

1. Kunt u aangeven op hoeveel plaatsen binnen de provincie tussen september 2009 en april 2010 gebruik is gemaakt van de ontheffing voor ondersteunend afschot? Kunt u daarbij aangeven om welke locaties het ging?

Antwoord: In de periode van 1 september 2009 tot 1 april 2010 zijn op basis van de ontheffing 981 meerkoeten geschoten door 15 ontheffinggebruikers. De locaties zijn: het werkgebieden van de wildbeheereenheden Lopikerwaard, Tussen Vecht en Oudenrijn en Vecht en Veenstreek.

2. Kunt u tevens uitleggen hoeveel meerkoeten maximaal per locatie geschoten mogen worden?

Antwoord: Per verjaagactie van een groep meerkoeten, welke zich op het perceel bevindt waarop de ontheffing wordt gebruikt, mogen niet meer dan tien meerkoeten worden gedood.

In uw antwoord op vraag 4 stelt u dat geen informatie bij u bekend is waaruit blijkt dat bij meerkoeten snel gewenning optreedt bij ondersteunend afschot. Zoals ook genoemd in de vorige vragenset bestaan wel degelijk aanwijzingen dat bij meerkoeten gewenning optreedt bij ondersteunend afschot. SOVON Vogelonderzoek stelt: ‘Een bijkomend probleem is dat de Meerkoet zeer snel gewenning laat zien aan verschillende vormen van visuele en akoestische afschrikmiddelen. Zelfs voor de afschrikwekkende werking bij ondersteunend afschot lijkt gewenning op te treden (Gerritse 1976).

3. Bent u bereid te onderzoeken of deze gewenning ook in de Provincie Utrecht optreedt en of ondersteunend afschot wel effectief is?

Antwoord: Meerkoeten blijven altijd in de buurt van open water, want daar vluchten ze naar toe bij dreigend gevaar. Is er, bijvoorbeeld tijdens aanhoudende vorst, weinig open water dan zullen zich daar altijd grote concentraties meerkoeten bevinden die lastig te verjagen zijn. Een soortgelijke situatie doet zich voor in het genoemde artikel uit 1976, waarin Gerritse een tichelgat in de uiterwaarden onderzoekt. Zoals hij zelf aangeeft, is daar weinig open water en de meerkoeten blijven daardoor altijd in de omgeving van het betreffende gebied. Voor (schadegevoelige) landbouwpercelen in Utrecht geldt dit in veel mindere mate. Deze zijn vaak gelegen langs sloten en vaarten, waardoor het mogelijk is ze te verjagen en te verspreiden naar andere percelen. Zo verdelen we de schade zodat we voorkomen dat belangrijke (dreigende) schade in enkele graslandpercelen plaatsvindt. We gaan hier geen aanvullend onderzoek naar doen.

4. Kunt u uiteenzetten hoe hoog het maximale bedrag is dat grondeigenaren aan preventieve maatregelen uit moeten geven? Hoe wordt dit bedrag berekend? Kunt u tevens uitleggen hoe dit bedrag zich verhoudt ten opzichte van de schadebedragen die uitgekeerd worden?

Antwoord: De mate waarin een grondgebruiker preventieve maatregelen moet treffen is onder andere afhankelijk van het gewas. Voor niet-kwetsbare gewassen - zoals de graslanden van de grazende meerkoeten - wordt bijvoorbeeld volstaan met verjaging door menselijke aanwezigheid en andere preventieve maatregelen die genoemd worden in het handboek ‘Handreiking Faunaschade’. In het geval van schade door meerkoeten wordt van de grondeigenaar (dus) niet verwacht dat hij aanzienlijke kosten maakt voor verjaging.

5. Bent u bereid in contact te treden met eigenaren om groenblauwe diensten, in dit geval diervriendelijke verjaagmethoden (bijv. het aanpassen van de oevervegetatie), te stimuleren op schadepercelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u tevens bereid een experiment te starten op de percelen waar de afgelopen vijf jaar, drie keer schade is geclaimd?

Antwoord: Nee, dat willen we niet. Aanpassen van de oevervegetatie betekent dat een strook land uit productie genomen moet worden. Dit gaat met hoge kosten gepaard die niet in verhouding staan tot de schade die de meerkoeten veroorzaken.

Gedeputeerde Staten van Utrecht,

Voorzitter,

Secretaris.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer