Vragen over brand­gevaar in schuren en stallen


Indiendatum: jul. 2008

Onderwerp: Schriftelijke vragen ex art. 47 van het RvO aan het College van GS, gesteld door Wanda Bodewitz, Partij voor de Dieren, betreffende brandgevaar in schuren en stallen


Geacht College van Gedeputeerde Staten,

Toelichting

De afgelopen 2½ jaar zijn er in Nederland 374.000 dieren omgekomen bij stalbranden. Het aantal branden waar vooral landbouwhuisdieren de dood vinden neemt ieder jaar toe. In de eerste helft van 2008 zijn er inmiddels landelijk al weer 111.000 brandslachtoffers te betreuren.
In de provincie Utrecht vonden op 13 juli 2008 nog 29 koeien de dood bij een brand in een stal in De Meern.

Buiten al het dierenleed lijden ook de getroffen agrariërs en andere dierenhouders onder de dood van hun dieren. Maar als de geldende brandvoorschriften zijn toegepast, treft hen geen enkele blaam. De voorschriften gaan uit van dieren als eigendom en niet als levende individuen. De brandveiligheidsvoorschriften zoals die in het Bouwbesluit 2003 en de gemeentelijke bouwverordening worden gesteld, hebben primair tot doel om personen te beschermen. Het bouwbesluit en de gemeentelijke bouwverordening stellen regels voor de bouwtechnische brandveiligheid en het brandveilig gebruik van bouwwerken. Het Bouwbesluit schaart een veehouderij onder bedrijven met een industriefunctie, waarmee levende wezens als koeien, schapen, varkens en kippen gelijkgesteld worden aan productiemiddelen en machines. Dit doet geen recht aan het dier.

De Partij voor de Dieren is zich ervan bewust dat de provinciale overheid formeel geen taak of eindverantwoordelijkheid heeft op deze specifieke regelgevingen. Maar gelet op het feit dat gemeenten op dit gebied ontoereikende brandvoorschriften hanteren, is zij van mening dat er hier ook een taak voor de provincie ligt om dit onderwerp op te pakken en onder andere aan te kaarten bij de ministeries van VROM en Binnenlandse Zaken.

Naar aanleiding van het voorgaande, wil de fractie van de Partij voor de Dieren de volgende vragen stellen:

1. Bent u bereid om gemeenten te adviseren en te ondersteunen om verbeteringen ten aanzien van de brandveiligheid van dieren te realiseren? Zo, neen waarom niet?

2. Bent u bereid om in regulier overleg met de ministeries van VROM en Binnenlandse Zaken aandacht te vragen voor deze problematiek en de ministers te wijzen op het verschil tussen dieren en machines en haar te verzoeken haar eerder ingenomen positie2 ten aanzien van de huidige regelgeving te heroverwegen?

3. Bent u met ons van mening dat de er voor een bouwwerk waarin onderkomens van (landbouw)huisdieren zijn gevestigd er andere brandvoorschriften zouden moeten komen dan voor bouwwerken waarin bijvoorbeeld machines of oogstresten worden opgeslagen?

4. Bij de huidige stand van de techniek is het mogelijk maatregelen te treffen die brandveiligheid van (landbouw)huisdieren verbeteren (denk onder meer aan sprinklerinstallaties). Bent u met ons van mening dat technische voorzieningen aangebracht kunnen worden, waardoor bij brand het leven van vele (landbouw)huisdieren kan worden gespaard?


Namens de fractie van de Partij voor de Dieren en hoogachtend,

Wanda Bodewitz

Indiendatum: jul. 2008
Antwoorddatum: 4 nov. 2008

Schriftelijke beantwoording ex art. 47 van het Reglement van Orde aan het College van Gedeputeerde Staten gesteld door W. Bodewitz (PvdD) betreffende brandgevaar in schuren en stallen d.d. 21 augustus 2008.

Toelichting
De afgelopen 2½ jaar zijn er in Nederland 374.000 dieren omgekomen bij stalbranden. Het aantal branden waar vooral landbouwhuisdieren de dood vinden neemt ieder jaar toe. In de eerste helft van 2008 zijn er inmiddels landelijk al weer 111.000 brandslachtoffers te betreuren.
In de provincie Utrecht vonden op 13 juli 2008 nog 29 koeien de dood bij een brand in een stal in De Meern .
Buiten al het dierenleed lijden ook de getroffen agrariërs en andere dierenhouders onder de dood van hun dieren. Maar als de geldende brandvoorschriften zijn toegepast, treft hen geen enkele blaam. De voorschriften gaan uit van dieren als eigendom en niet als levende individuen. De brandveiligheidsvoorschriften zoals die in het Bouwbesluit 2003 en de gemeentelijke bouwverordening worden gesteld, hebben primair tot doel om personen te beschermen. Het bouwbesluit en de gemeentelijke bouwverordening stellen regels voor de bouwtechnische brandveiligheid en het brandveilig gebruik van bouwwerken. Het Bouwbesluit schaart een veehouderij onder bedrijven met een industriefunctie, waarmee levende wezens als koeien, schapen, varkens en kippen gelijkgesteld worden aan productiemiddelen en machines. Dit doet geen recht aan het dier.

De Partij voor de Dieren is zich ervan bewust dat de provinciale overheid formeel geen taak of eindverantwoordelijkheid heeft op deze specifieke regelgevingen. Maar gelet op het feit dat gemeenten op dit gebied ontoereikende brandvoorschriften hanteren, is zij van mening dat er hier ook een taak voor de provincie ligt om dit onderwerp op te pakken en onder andere aan te kaarten bij de ministeries van VROM en Binnenlandse Zaken.

Naar aanleiding van het voorgaande, wil de fractie van de Partij voor de Dieren de volgende vragen stellen:

1) Bent u bereid om gemeenten te adviseren en te ondersteunen om verbeteringen ten aanzien van de brandveiligheid van dieren te realiseren? Zo, neen waarom niet?

Antwoord: Neen. Het elkaar als mede-overheden inhoudelijk adviseren en ondersteunen veronderstelt een (zo mogelijk meer dan) gelijkwaardige kennis en kunde en/of een oorzakelijk (organisatorisch) verband, danwel een im- of expliciete formele grondslag. De provincie is voor de in de vraagstelling bedoelde (agrarische) bedrijven geen bevoegd gezag. Ook heeft de provincie geen formele taak of eindverantwoordelijkheid op dit terrein. Bovendien steekt de provinciale kennis over de hier relevante regelgeving schril af tegen die van brandweer, gemeenten en VROM-Inspectie. Dat maakt dat de bereidheidsvraag feitelijk niet meer opportuun is.

2) Bent u bereid om in regulier overleg met de ministeries van VROM en Binnenlandse Zaken aandacht te vragen voor deze problematiek en de ministers te wijzen op het verschil tussen dieren en machines en haar te verzoeken haar eerder ingenomen positie ten aanzien van de huidige regelgeving te heroverwegen?

Antwoord: Ja, voor zover het betreft de VROM-Inspectie Noord-West. Overigens wordt in de eerder genoemde integrale leidraad ‘Methode Beheersbaarheid van Brand 2007’ op pagina 16 verschil gemaakt tussen industriefunctie enerzijds en dierverblijven anderzijds. Bij dierverblijven wordt er een brandcompartiment van maximaal 2.500 m2 genoemd. Tijdens het eerstvolgende reguliere bestuurlijk overleg met de VROM-Inspectie Noord-West en in een volgende vergadering van het provinciebrede ambtelijke Kernoverleg handhaving zal dit item worden geagendeerd.

3) Bent u met ons van mening dat de er voor een bouwwerk waarin onderkomens van (landbouw)huisdieren zijn gevestigd er andere brandvoorschriften zouden moeten komen dan voor bouwwerken waarin bijvoorbeeld machines of oogstresten worden opgeslagen?

Antwoord: Een bevestigend antwoord ligt (intuïtief) in de rede. Echter, het ontbreekt ons aan informatie welke brandvoorschriften gemeenten en brandweer voor de onderscheiden bouwwerken grosso modo in de praktijk hanteren en hoe die voorschriften zich kwalitatief verhouden met de door u bedoelde ‘andere voorschriften’. Om die reden moeten wij u het antwoord op deze vraag schuldig blijven. Wel is volledigheidshalve naar aanleiding van uw vraag de Brandweer Utrechts Land van de Veiligheidsregio Utrecht om een officiële reactie gevraagd. Die treft u hieronder aan:

'De huidige regelgeving biedt voldoende mogelijkheden om rekening te houden met de aanwezigheid van dieren in gebouwen met grote brandcompartimenten. Vanwege de grote verscheidenheid in bouwwerken bevat het Bouwbesluit 2003 echter geen detailvoorschriften voor grote dierverblijven. Toelichting: De eisen aan een bouwwerk waarin brandcompartimenten groter dan 1.000 m2 (‘grote brandcompartimenten’) zijn gelegen, zijn niet eenduidig in regelgeving vastgelegd. Bij het verlenen van een bouwvergunning voor een gebouw met grote brandcompar-timenten, hebben Burgemeester en Wethouders op dit onderdeel beoordelingsruimte. Deze ruimte wordt begrensd door artikel 2.200 van het Bouwbesluit 2003. De beoordeling omvat tenminste de mogelijkheid om uitbreiding van brand te beperken, om het gebouw te ontvluchten en om een brand te bestrijden. De wetgever heeft deze boordelingsruimte gecreëerd vanwege het grote aantal factoren dat de brandveiligheid kan beïnvloeden in een gebouw met grote brandcompartimenten. De aanwezigheid van dieren in een gebouw kan daarbij een rol spelen, evenals de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen of van personen. Daarnaast kan echter ook de ligging van het gebouw belangrijk zijn, bijvoorbeeld als het gebouw voor de brandweer moeilijk bereikbaar is. Ook de indeling van het gebouw wordt vaak in de beoordeling betrokken: als het gebouw in vele kleine ruimtes is ingedeeld kan dat betekenen dat het bouwwerk niet snel kan worden doorzocht, wat de redding en de brandbestrijding negatief zal beïnvloeden.’

4) Bij de huidige stand van de techniek is het mogelijk maatregelen te treffen die brandveiligheid van
(landbouw)huisdieren verbeteren (denk onder meer aan sprinklerinstallaties). Bent u met ons van
mening dat technische voorzieningen aangebracht kunnen worden, waardoor bij brand het leven van
vele (landbouw)huisdieren kan worden gespaard?

Antwoord: Ons is niet bekend welke kwantitatieve en kwalitatieve maatregelen gemeenten en brandweer op dit moment gemiddeld verlangen van agrarische ondernemers en hoe die zich verhouden met de in de vraagstelling bedoelde verbeterde technieken. Zie verder ons antwoord op vraag 3.


Gedeputeerde Staten van Utrecht,

Voorzitter,
Secretaris,

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer