Vragen over compar­ti­men­tering van dier­rechten


Indiendatum: okt. 2007

Geacht college van gedeputeerde staten,

Toelichting

In Nederland geldt vanaf 1994 een compartimenteringsregime. Hierbij is het op grond van artikel 26 van de Meststoffenwet verboden om dierrechten te verplaatsen tussen de verschillende concentratiegebieden in het oosten van het land en het zuiden van het land en naar een concentratiegebied toe. Dit verbod geldt tot 1 januari 2008. Na deze datum kunnen dierrechten vrij worden verplaatst door heel Nederland. Het Ministerie van LNV was in de veronderstelling dat gemeenten en provincies voldoende tijd hebben gehad om maatregelen te nemen en regels te stellen om gewenste ontwikkelingen in de veehouderij als gevolg van het verplaatsen van dierrechten tussen verschillende concentratiegebieden, te stimuleren en ongewenste ontwikkelingen te voorkomen (zie brief 5 september 2007 gericht aan de voorzitter van de Tweede Kamer en ondertekend door de Minister van LNV, G. Verburg).
Echter, in een brief gericht aan de Minister van LNV en ondertekend namens de reconstructieprovincies Utrecht, Gelderland, Overijssel en Noord-Brabant, werd door deze provincies een verzoek gedaan tot uitstel van het opheffen van de compartimentering van dierrechten (zie brief 15 augustus 2007, ondertekend door drs. P.L.A. Rüpp, Gedeputeerde Ruimtelijke Ontwikkeling Noord Brabant). Uit de brief blijkt onder andere dat de reconstructieprovincies graag meer tijd zouden hebben voor het nemen van ruimtelijke maatregelen. Op de vraag van de Minister van LNV welke ruimtelijke maatregelen de provincies gaan nemen c.q. stimuleren bij de gemeenten indien het opheffen van de compartimentering wordt uitgesteld, wordt onder andere de volgende melding gemaakt: "In de Brabantse reconstructieplannen is de volgende maatregel reeds genomen: nieuwvestiging in een LOG mag alleen als het bedrijf uit het extensiveringgebied komt en daar stopt. De overige reconstructieprovincies beraden zich over het aanpassen van hun reconstructieplannen op vergelijkbare wijze".

Naar aanleiding van het voorgaande, wil de fractie van de Partij voor de Dieren de volgende vragen stellen:

1. Wat is de stand van zaken van de genoemde aanpassingen (zie laatste zin toelichting) vanuit de Provincie Utrecht?

2. Kunt u de woorden “op vergelijkbare wijze” toelichten? Hoe krijgt dit in de Provincie Utrecht vorm?

3. Wat zijn precies de redenen geweest om uitstel te vragen? Met andere woorden: welke problemen worden voorzien?

4. Wat was het belang indertijd voor de provincie Utrecht om de compartimentering in het leven te roepen?

5. De compartimentering is destijds ingevoerd, omdat het houden van teveel dieren in een klein leefgebied ernstige milieuproblemen oplevert. Zijn deze problemen nu opgelost of is er op korte termijn een oplossing in zicht?

6. Hoe komt het dat Gedeputeerde Staten niet eerder ruimtelijke maatregelen hebben genomen en waarom zijn de Provinciale Staten niet op de hoogte gesteld van de te verwachten problemen? Moeten we nu tot de conclusie komen dat dit een ernstige omissie is in het hele reconstructieproces? Waarom zijn deze zaken niet meegenomen in het reconstructieplanproces?

Door de minister worden in de brief van 5 september 2007 meerdere mogelijkheden genoemd om de wijze waarop nieuwvestiging en uitbreiding van veehouderijbedrijven in bepaalde gebieden plaatsvindt, te sturen.

3.7. Heeft de Provincie Utrecht in de reconstructieplannen een bepaling opgenomen waarmee de nieuwvestiging van een intensief veehouderijbedrijf in een Landbouw Ontwikkelings Gebied wordt gekoppeld aan het opheffen van een intensief veehouderijbedrijf in het extensiveringgebied in dezelfde provincie? Zo nee, bent u bereid om een dergelijke bepaling in de reconstructieplannen op te nemen? Ook indien sprake is van verplaatsing vanuit extensiveringsgebied naar LOG’s is schaalvergroting mogelijk. Welke andere maatregelen zijn denkbaar om de te verwachten problemen het hoofd te bieden?

4.Heeft de Provincie Utrecht extra eisen opgenomen in het reconstructieplan voor nieuwvestigingen en uitbreiding van intensieve veehouderijen, waarbij het gaat om eisen die nieuwvestigingen en uitbreiding gepaard laten gaan met maatschappelijke tegenprestaties (zoals landschappelijke inpassing en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit)? Zo nee, waarom niet?

5.8. In hoeverre zijn gemeenten door de Provincie Utrecht geïnformeerd over het opheffen van het huidige compartimenteringsregime en gestimuleerd tot het gebruiken van hun mogelijkheden om hierop in te spelen? Zoals:
a) het opnemen van een constructie in gemeentelijke plannen waarbij de gemeenteraad bij nieuwvestiging of uitbreiding van intensieve veehouderijen streng kan reguleren door additionele eisen te stellen;
b) het doen van strategische grondaankopen binnen het plangebied. Deze grond kan vervolgens ter beschikking worden gesteld aan ondernemers uit de eigen gemeente.
6.9. In hoeverre zijn gemeenten in de Provincie Utrecht al gevorderd met het aanpassen van het bestemmingsplan aan de op handen zijnde opheffing van het compartimenteringsregime? Hebben gemeenten stappen ondernomen om exorbitante schaalvergrotingen een halt toe te roepen?

10. Kunnen Gedeputeerde Staten, gelet op hun verantwoordelijkheid in dezen, genoegen nemen met de brief van minister Verburg?

7.11. Zijn Gedeputeerde Staten het met ons eens dat er een dreiging ontstaat van ontwikkeling van exorbitant grote bedrijven en dat er instrumenten moeten bestaan om dit afdoende te reguleren en dat er maximumnormen gesteld moeten worden aan het Heeft Gedeputeerde Staten wel eens overwogen om andere instrumenten toe te gaan passen, zoals het instellen van een maximum voor het aantal nieuwe intensieve veehouderij-percelen en een maximum voor de omvang van bouwpercelen en bouwvolumes (zowel in de hoogte als in de diepte) van intensieve veehouderij in het ruimtelijke ordeningsbeleid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om de mogelijkheden hiervan te onderzoekenwelke acties zijn Gedeputeerde Staten voornemens op dit terrein?

8.Is Gedeputeerde Staten van plan om op korte termijn verdere stappen te zetten die de mogelijkheden vergroten om grootschalige nieuwvestiging van intensieve veehouderijen te voorkomen? Zo ja, om welke stappen zal dit gaan?

In de brief aan de Minister van LNV van 15 augustus 2007 wordt ook het volgende vermeld: “Nu reeds zien we dat er een groei is in verwevings- en landbouwontwikkelingsgebieden. De daling in de extensiveringgebieden is minder”.

9.12. a) Wat is de stand van zaken wat dit betreft in de Provincie Utrecht?
b) Wat zijn de verwachtingen voor de Provincie Utrecht omtrent de groei van het aantal intensieve veehouderijen in verwevings- en landbouwontwikkelingsgebieden?
c) Wat zijn de verwachtingen voor de Provincie Utrecht omtrent de daling van het aantal intensieve veehouderijen in extensiveringsgebieden, oftewel kwetsbare gebieden?

Namens de fractie van de Partij voor de Dieren en hoogachtend,

Wanda Bodewitz

Indiendatum: okt. 2007
Antwoorddatum: 27 nov. 2007

Antwoord schriftelijke vragen ex artikel 47 van het Reglement van Orde Provincie Utrecht 1998, gesteld door drs. W.A. Bodewitz (PvdD) betreffende het opheffen van de compartimentering van dierrechten

Toelichting
In Nederland geldt vanaf 1994 een compartimenteringsregime. Hierbij is het op grond van artikel 26 van de Meststoffenwet verboden om dierrechten te verplaatsen tussen de verschillende concentratiegebieden in het oosten van het land en het zuiden van het land en naar een concentratiegebied toe. Dit verbod geldt tot 1 januari 2008. Na deze datum kunnen dierrechten vrij worden verplaatst door heel Nederland. Het Ministerie van LNV was in de veronderstelling dat gemeenten en provincies voldoende tijd hebben gehad om maatregelen te nemen en regels te stellen om gewenste ontwikkelingen in de veehouderij als gevolg van het verplaatsen van dierrechten tussen verschillende concentratiegebieden, te stimuleren en ongewenste ontwikkelingen te voorkomen (zie brief 5 september 2007 gericht aan de voorzitter van de Tweede Kamer en ondertekend door de Minister van LNV, G. Verburg).
Echter, in een brief gericht aan de Minister van LNV en ondertekend namens de reconstructieprovincies Utrecht, Gelderland, Overijssel en Noord-Brabant, werd door deze provincies een verzoek gedaan tot uitstel van het opheffen van de compartimentering van dierrechten (zie brief 15 augustus 2007, ondertekend door drs. P.L.A. Rüpp, Gedeputeerde Ruimtelijke Ontwikkeling Noord Brabant). Uit de brief blijkt onder andere dat de reconstructieprovincies graag meer tijd zouden hebben voor het nemen van ruimtelijke maatregelen. Op de vraag van de Minister van LNV welke ruimtelijke maatregelen de provincies gaan nemen c.q. stimuleren bij de gemeenten indien het opheffen van de compartimentering wordt uitgesteld, wordt onder andere de volgende melding gemaakt: "In de Brabantse reconstructieplannen is de volgende maatregel reeds genomen: nieuwvestiging in een LOG mag alleen als het bedrijf uit het extensiveringgebied komt en daar stopt. De overige reconstructieprovincies beraden zich over het aanpassen van hun reconstructieplannen op vergelijkbare wijze".

Naar aanleiding van het voorgaande, wil de fractie van de Partij voor de Dieren de volgende vragen stellen:

1. Wat is de stand van zaken van de genoemde aanpassingen (zie laatste zin toelichting) vanuit de Provincie Utrecht?

2. Kunt u de woorden “op vergelijkbare wijze” toelichten? Hoe krijgt dit in de Provincie Utrecht vorm?

Door de minister worden in de brief van 5 september 2007 meerdere mogelijkheden genoemd om de wijze waarop nieuwvestiging en uitbreiding van veehouderijbedrijven in bepaalde gebieden plaatsvindt, te sturen.

3. Heeft de Provincie Utrecht in de reconstructieplannen een bepaling opgenomen waarmee de nieuwvestiging van een intensief veehouderijbedrijf in een Landbouw Ontwikkelings Gebied wordt gekoppeld aan het opheffen van een intensief veehouderijbedrijf in het extensiveringgebied in dezelfde provincie? Zo nee, bent u bereid om een dergelijke bepaling in de reconstructieplannen op te nemen?

4. Heeft de Provincie Utrecht extra eisen opgenomen in het reconstructieplan voor nieuwvestigingen en uitbreiding van intensieve veehouderijen, waarbij het gaat om eisen die nieuwvestigingen en uitbreiding gepaard laten gaan met maatschappelijke tegenprestaties (zoals landschappelijke inpassing en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit)? Zo nee, waarom niet?

5. In hoeverre zijn gemeenten door de Provincie Utrecht geïnformeerd over het opheffen van het huidige compartimenteringsregime en gestimuleerd tot het gebruiken van hun mogelijkheden om hierop in te spelen? Zoals:
a) het opnemen van een constructie in gemeentelijke plannen waarbij de gemeenteraad bij nieuwvestiging of uitbreiding van intensieve veehouderijen streng kan reguleren door additionele eisen te stellen;
b) het doen van strategische grondaankopen binnen het plangebied. Deze grond kan vervolgens ter beschikking worden gesteld aan ondernemers uit de eigen gemeente.
6. In hoeverre zijn gemeenten in de Provincie Utrecht al gevorderd met het aanpassen van het bestemmingsplan aan de op handen zijnde opheffing van het compartimenteringsregime?

7. Heeft Gedeputeerde Staten wel eens overwogen om andere instrumenten toe te gaan passen, zoals het instellen van een maximum voor het aantal nieuwe intensieve veehouderij-percelen en een maximum voor de omvang van bouwpercelen en bouwvolumes van intensieve veehouderij in het ruimtelijke ordeningsbeleid? Zo nee, bent u bereid om de mogelijkheden hiervan te onderzoeken?

8. Is Gedeputeerde Staten van plan om op korte termijn verdere stappen te zetten die de mogelijkheden vergroten om grootschalige nieuwvestiging van intensieve veehouderijen te voorkomen? Zo ja, om welke stappen zal dit gaan?

In de brief aan de Minister van LNV van 15 augustus 2007 wordt ook het volgende vermeld: “Nu reeds zien we dat er een groei is in verwevings- en landbouwontwikkelingsgebieden. De daling in de extensiveringgebieden is minder”.

9. a) Wat is de stand van zaken wat dit betreft in de Provincie Utrecht?
b) Wat zijn de verwachtingen voor de Provincie Utrecht omtrent de groei van het aantal intensieve veehouderijen in verwevings- en landbouwontwikkelingsgebieden?
c) Wat zijn de verwachtingen voor de Provincie Utrecht omtrent de daling van het aantal intensieve veehouderijen in extensiveringsgebieden, oftewel kwetsbare gebieden?

Antwoorden:

Hieronder geven wij antwoord op de vragen van de Partij voor de Dieren over opheffing van de compartimentering van dierrechten. Om de vragen te beantwoorden geven wij u eerst informatie over het reconstructiebeleid ten aanzien van (intensieve) veehouderij.

Intensieve veehouderij, wonen, werken, recreatie en natuur zitten elkaar vaak in de weg. Intensieve veehouderij wordt daardoor beperkt in haar ontwikkelingsmogelijkheden. Er wordt stankoverlast veroorzaakt, het woon- en leefklimaat vermindert en de kwaliteit van natuur, landschap en water staat onder druk. Daarnaast kan de grote veedichtheid en de ruimtelijke structuur leiden tot veterinaire problemen voor de sector en het landelijk gebied.
Het reconstructieplan is een integrale gebiedsaanpak waar ook andere thema’s en problemen een plek hebben. De aanpak van problemen rond de intensieve veehouderij maakt onderdeel uit van deze integrale gebiedsaanpak.
Provincie Utrecht heeft één reconstructiegebied en één reconstructieplan: Gelderse Vallei/Utrecht Oost.

Belangrijk onderdeel van het reconstructieplan is het realiseren van de zogenaamde ‘afwaartse beweging’. Intensieve veehouderij weg van kwetsbare functies als natuur en wonen naar gebieden waar wel ruimte is voor intensieve veehouderij. Om dat mogelijk te maken zijn er ook gebieden nodig waar de intensieve veehouderij zich duurzaam kan ontwikkelen, de landbouwontwikkelingsgebieden (LOG).

Compartimentering van dierrechten regelt de verplaatsingsmogelijkheden van dierrechten, niet de vestigingseisen voor bedrijven. Vestigingseisen worden geregeld in de ruimtelijke ordeningsregelgeving. Het reconstructiegebied van Utrecht behoort tot concentratiegebied Oost. Ook Gelderland en Overijssel horen daarbij. Binnen dit gebied is het al mogelijk dierrechten te kopen en te verhandelen.

Reconstructiezonering
Voor de intensieve veehouderij is een zonering ingesteld. Extensiveringsgebieden waar de intensieve veehouderij geen ruimte meer krijgt om te groeien, verwevingsgebieden waar beperkt ruimte wordt geboden en landbouwontwikkelingsgebieden waar bedrijven wel ruimte krijgen en waar plek is intensieve bedrijven naar toe te verplaatsen die op de oude plek problemen geven.
• Extensiveringsgebieden: geen nieuwvestiging intensieve veehouderij, uitbreiding binnen geldende bouwpercelen. Uitbreiding is echter vaak niet meer mogelijk door milieuwetgeving en ligging nabij natuur.
• Verwevingsgebieden: geen nieuwvestiging intensieve veehouderij, uitbreiding bouwperceel max. eenmalig 30% mits noodzaak, landschappelijke inpassing, omgevingskwaliteit e.d.
• Landbouwontwikkelingsgebied: wel nieuwvestiging van intensieve veehouderij maar hergebruik van bestaande locaties staat voorop. Verder alleen mogelijk wanneer het gaat om een volwaardig bedrijf en een inrichtingsplan wordt opgesteld waar aandacht wordt besteed aan landschappelijke inpassing, tegengaan van aantasting plaatselijke natuurwaarden en waterhuishouding en -kwaliteit.

In Utrecht hebben we één landbouwontwikkelingsgebied ten zuiden van Woudenberg, Scherpenzeel en Renswoude. Dit is het enige gebied waar nieuwvestiging van intensieve veehouderij is toegestaan, in de rest van het reconstructiegebied is nieuwvestiging van intensieve veehouderij niet toegestaan.

De extensiveringsgebieden en verwevingsgebieden werken voor de intensieve veehouderij direct door in het streekplan en de bestemmingsplannen. Het reconstructieplan geldt als een voorbereidingsbesluit die net zolang werkt tot dat de gemeenten hun bestemmingsplannen hebben aangepast aan het reconstructiebeleid. Bouwaanvragen die betrekking hebben op de intensieve veehouderij moeten tot die tijd worden aangehouden zodat een extra toets kan plaatsvinden.

Naast deze zonering blijft de intensieve veehouderij ook wettelijke gehouden aan milieu-, natuur-, dierwelzijns- en overige wetgeving. Ook in de landbouwontwikkelingsgebieden.

Biologische veehouderij
Voor biologische veehouderij geldt de zonering met bijbehorende beperkingen niet en ook op andere manieren wordt deze sector gestimuleerd.

Rest van de provincie
In de rest van de provincie is nieuwvestiging van landbouwbedrijven en dus ook intensieve veehouderij in het streekplan uitgesloten.

Antwoord vraag 1
Het beleid voor de intensieve veehouderij wordt op verschillende manieren uitgewerkt maar het reconstructieplan zelf zal niet worden aangepast.

Betrokken gemeenten hebben op 30 november 2005 afgesproken dat in geval van nieuwvestiging voorrang dient te worden gegeven aan verplaatsers die afkomstig zijn uit het reconstructiegebied Gelderse Vallei/Utrecht Oost.

In kader van de reconstructie is de Stichting Vernieuwing Gelderse Vallei (SVGV, het programmabureau van dit gebied) gestart met verdere uitwerking van de LOG’s in samenwerking met de provincies. In de provincie Utrecht ligt één LOG, in het Gelderse deel twee LOG’s waarbij ook clustering van bedrijven mogelijk is. In de uitwerking komen vragen aan de orde als maximum aantal bedrijven, omvang en landschappelijke inpassing. Er wordt nu een plan van aanpak geschreven door de SVGV. Wij zijn betrokken bij de uitwerking.

Samen met de gemeenten, Stichting Vernieuwing Gelderse Vallei en de provincie is de handreiking vertaling reconstructieplan Gelderse Vallei/Utrecht-Oost opgesteld. Doel van de handreiking is afstemming tussen gemeenten bij de vertaling van het reconstructieplan, gemeenten vertrouwd laten worden met de voor hen relevante onderdelen van het reconstructieplan en uitwisseling van ervaringen.
Nieuwvestiging wordt in het bestemmingsplan geregeld via een wijzigingsbevoegdheid, planherziening of art. 19 Wro met voorwaarden. Deze procedure waarborgt een zorgvuldige afweging waarbij ook extra eisen worden gesteld zoals omvang van bouwpercelen en bouwvolumes, nokhoogten, landschappelijke inpassing enz. opgenomen. Naast de ruimtelijke ordeningswetgeving moeten bedrijven ook voldoen aan o.a. milieuwetgeving, dierwelzijnswetgeving en streekplan.

Antwoord vraag 2
Zie antwoord op vraag 1.

Antwoord vraag 3
Zie antwoord op vraag 1. In de uitwerking van het LOG komt dit aan de orde.

Antwoord vraag 4
Zie ook de inleiding en antwoord op vraag 1. Het reconstructiegebied kent een zonering in extensiveringsgebieden, verwevingsgebieden en landbouwontwikkelingsgebieden. Bij uitbreiding en nieuwvestiging van intensieve veehouderij wordt gekeken naar inpassing in de omgeving en overige wetgeving.

Antwoord vraag 5
a. Zie antwoord 1 en de inleiding. Samen met de gemeenten, stichting vernieuwing Gelderse vallei en de provincie is de handreiking vertaling reconstructieplan Gelderse Vallei/Utrecht-Oost opgesteld waarin dit is uitgewerkt.
b. Er wordt gewerkt aan een gezamenlijk actief grondbeleid voor het hele reconstructiegebied Gelderse Vallei/Utrecht Oost om het behalen van de reconstructiedoelen te versnellen.

Antwoord vraag 6
Alle gemeenten met intensieve veehouderij hebben bestemmingsplanherzieningen in voorbereiding die reconstructieproof zijn.

Antwoord vraag 7
Omvang van bouwpercelen en bouwvolumes zijn geregeld in bestemmingsplannen en zijn zaak van de gemeenten. Als provincie adviseren wij daarbij. De zonering met bijbehorende regels voor intensieve veehouderij van het reconstructieplan werken rechtstreeks door in streekplan en bestemmingsplan. Nieuwvestiging kan alleen in het landbouwontwikkelingsgebied. Voor deze LOG zal een nadere uitwerking plaatsvinden. Zie ook antwoord 1 en inleiding.

Antwoord vraag 8
Belangrijk doel van de reconstructie is te bewerkstelligen dat intensieve veehouderij weg gaat bij kwetsbare functies naar gebieden waar wel ruimte is, de landbouwontwikkelingsgebieden. Schaalvergroting en clustering kan in belangrijke mate de intensieve veehouderij saneren en voordelen opleveren op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, milieu en dierenwelzijn. Nieuwe bedrijven moeten voldoen aan de laatste milieu- en dierwelzijnsregelgeving.
Natuurlijk moet het wel op de goede plek plaatsvinden en op de juiste wijze worden ingepast. Deze afweging zal worden gemaakt bij de uitwerking van het LOG (zie antwoord 1 en 7), ook zal dan worden bekeken of er in het LOG op het grondgebied van Utrecht ruimte is voor grootschalige nieuwvestiging en of dat wenselijk is.

Antwoord vraag 9
Dit speelt minder in het reconstructiegebied van de provincie Utrecht. In Utrecht zijn er concreet plannen voor 7 verplaatsingen van bedrijven die nu op de verkeerde plek zitten nabij natuur of wonen. Het aantal bedrijven in extensiveringsgebieden zal daardoor dalen. In het landbouwontwikkelingsgebied zal het aantal bedrijven toenemen door verplaatsingen van bedrijven uit extensiveringsgebieden.

Gedeputeerde staten van Utrecht,


Voorzitter,



Secretaris,

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer