Vragen over provin­ciaal uitvoe­rings­pro­gramma hand­having


Onderwerp: Schriftelijke vragen ex artikel 47 van het RvO aan het College van GS, gesteld door Wanda Bodewitz, Partij voor de Dieren, betreffende het Provinciaal Uitvoeringsprogramma Handhaving Utrecht 2007

Geacht college van gedeputeerde staten,

Toelichting

Gedeputeerde Staten hebben besloten tot prioritering van de handhaving zoals voorgesteld in het Provinciaal uitvoeringsprogramma Handhaving 2007. In onderhavig document is aangegeven dat de inzet van menskracht gebaseerd wordt op de prioritering voortvloeiend uit een risicomatrix (categorie 4: hoog risico, lage mate van naleving; categorie 3: hoog risico, hoge mate van naleving; categorie 2: laag risico, lage mate van naleving; categorie 1: laag risico, hoge mate van naleving). Omdat voor de handhaving van de “groene” regelgeving als geheel in 2007 een tekort van 1265 uur bestond, is besloten tot een verminderde inzet op de laagste risicocategorieën. Dit wekt de verwachting dat gelijkmatig uren verminderd worden voor alle handhavingstaken die zijn ingedeeld in categorie 1. Gedeputeerde Staten hebben echter besloten om specifiek de handhavingsuren voor de Boswet, Ontgrondingenwet en Natuurschoonwet te verlagen, hoewel juist de handhavingstaken aangaande deze wetten grotendeels in de categorieën 3 en 4 zijn ingedeeld.

De PvdD-fractie merkt op dat het belang van deugdelijke handhaving van milieu- en groene wetgeving niet onderschat moet worden. Het stellen van regels is relatief eenvoudig. De naleving van regels blijkt in de toepassingspraktijk dikwijls weerbarstiger dan bij het opstellen van de regels wordt aangenomen.


In dit verband willen wij u de volgende vragen voorleggen.

1. De inleiding van de nota noemt als uitgangspunt: het optimaliseren van de handhavingsactiviteiten.
Welke van de genoemde wetgeving moet op het punt van handhaving als het meest problematisch worden beschouwd op dit moment, en wat moet als oorzaak van de problematiek worden aangewezen?
Meer in algemeen wordt onze fractie graag geïnformeerd welke elementen van de handhaving niet afdoende functioneren, en op welke wijze de voorliggende nota daar verbetering in brengt.

2. In §3 geeft u aan dat voor sommige handhavingstaken minder uren zijn gepland dan gewenst. Graag vernemen wij expliciet welke taken dit betreffen.

3. Bij de groene regelgeving is ook de handhaving aangaande woonschepen en borden ingedeeld. Voor deze handhavingscategorieën zijn aanzienlijk meer uren gepland in 2007 dan voor de “groene” wetten, zoals de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet. Het totaal aantal uren voor de FFW bedraagt slechts 650, voor de Boswet 420 en voor de Natuurbeschermingswet zelfs slechts 50. Op basis van de risicomatrix kan dit lage aantal uren niet verklaard worden (gezien het feit dat een belangrijk deel van de FFW onder categorie 3 valt en de Boswet voor een deel onder categorie 3 en 4 en de Natuurbeschermingswet onder categorie 4). De provincie heeft wettelijk vastgelegde taken voor de volgende “groene” wetten: FFW, Boswet, Natuurbeschermingswet en Ontgrondingenwet.
Kan hieruit geconcludeerd worden dat de risicomatrix niet toegepast is voor het vaststellen van handhavingsuren voor deze wettelijke taken? Zo ja, welke redenen kunt u hiervoor noemen? Zo nee, kunt u toelichten waarom het aantal geplande handhavingsuren relatief zeer laag is voor deze wettelijke taken, ondanks het feit dat de risico’s als hoog worden ingeschat?

4. De Provincie Zuid-Holland ontvangt jaarlijks financiële middelen van de minister van LNV voor de taken voortkomend uit de FFW, de Natuurbeschermingswet en de Boswet. Naast de aanschaf en exploitatie van voer- en vaartuigen heeft de afdeling Handhaving van de provincie Zuid-Holland dit bedrag - anno 2007 - omgezet in 7 formatieplaatsen. Ontvangt de Provincie Utrecht financiële middelen van het ministerie van LNV voor bovenstaande “groene” wetten? Zo ja, hoe hoog is dit bedrag en hoe wordt het geld ingezet?

5. Natuurbeschermingswet
5a. Sinds 2005 is de provincie het bevoegde gezag inzake de Natuurbeschermingswet. Deze wet verplicht tot het beoordelen van handelingen op schadelijkheid voor krachtens die wet beschermde gebieden. Ons is duidelijk geworden dat tot op heden een grote achterstand bestaat in die beoordeling. Zeer veel activiteiten vinden plaats zonder de vereiste rechtstitel en zijn daarmee illegaal. Hieruit volgt veel werk voor de afdeling handhaving.

5b. Is het juist dat met de in werking treding van de Natuurbeschermingswet een vergunningplicht geldt voor alle handelingen die een significant negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstelling van de wettelijk beschermde gebieden?

5c. Welk criterium hanteren Gedeputeerde Staten voor het bepalen of er sprake is van een 'significant negatief effect' voor een Natura 2000-gebied? Dit heeft gevolgen voor het vaststellen in welke mate bedrijven vergunningplichtig zijn. Indien geen algemeen criterium kan worden genoemd: welke handelingen hebben prioriteit om daarvoor een criterium te stellen van een significant negatief effect?

5d. Voor welk totaal aantal handelingen is volgens uw eerste inschatting een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet vereist?

5e. Hoeveel volgens de huidige Natuurbeschermingswet vergunningplichtige handelingen beschikken over een vergunning binnen onze provincie?

5f. Hoeveel volgens de huidige Natuurbeschermingswet vergunningplichtige handelingen beschikken niet over een vergunning?

5g. Is door u onderzocht voor welk aantal veehouderijbedrijven waarschijnlijk een vergunning is vereist vanwege schadelijke stikstofdeposities op verzuring gevoelige natuur? Op basis van welk criterium is dit vastgesteld? Indien beschikbaar, krijgen wij graag de beschikking over dit onderzoek.

5h. Bent u het met ons eens dat alle handelingen welke als vergunningplichtig moeten worden beschouwd en desondanks niet over een vergunning beschikken, als illegaal moeten worden aangemerkt?

5i. Graag krijgen wij het overzicht van de 5 door u genoemde passieve gedoogsituaties inzake ammoniakdeposities (bijlage 2, pg. 13)

5j. Indien zeer veel (potentieel) schadelijke handelingen onvergund zijn, en dientengevolge als illegaal moeten worden aangemerkt, bent u het dan met ons eens dat de thans gereserveerde capaciteit voor handhaving van de Natuurbeschermingswet volstrekt onvoldoende is?
Op basis waarvan acht u het aanvaardbaar dat slechts 50 uur beschikbaar wordt gesteld voor een taak waarvan de omvang nog nauwelijks goed in beeld is gebracht?

5k. Welke rol speelt de provincie in het opstellen van de beheerplannen? Ziet de provincie er op toe dat de beheerplannen zodanig worden opgesteld dat deze zich ook voor handhaving lenen, nu daar nog een goede gelegenheid voor bestaat?

5l. Waarop is de gedachte gebaseerd dat jaarlijks 30 uur handhaving volstaat om de beheerplannen op naleving te controleren? Is dit inclusief locatiebezoek, en raadpleging van deskundigen?

6. Flora- en faunawet
6a. Indien een laag aantal handhavingsuren wordt ingezet, kan verwacht worden dat een evenredig laag aantal overtredingen wordt geconstateerd. Op basis van hoeveel handhavingsuren in het veld is vastgesteld dat de naleving wat betreft de FFW hoog is? Hoeveel overtredingen zijn geconstateerd en wat is het percentage van geconstateerde overtredingen ten opzichte van het aantal handhavingsuren voor de FFW in 2006? Hoe verhoudt zich dat tot handhaving van alle overige regelgeving? Bent u het met ons eens dat het aantal geconstateerde overtredingen niet een goede indicatie hoeft te zijn van het daadwerkelijke aantal overtredingen doordat sommige overtredingen moeilijker opgespoord kunnen worden dan andere? Welke conclusies verbindt u hieraan voor wat betreft de vaststelling van de mate van naleving van de FFW?

6b. Van de 650 uur voor de handhaving van de FFW wordt de meeste tijd ingezet op het controleren van ontheffingsvoorschriften. Stichting Faunabescherming heeft echter in de praktijk ervaren dat de meeste overtredingen plaatsvinden buiten de ontheffing, namelijk door personen die geen ontheffing hebben aangevraagd en desondanks handelingen in het kader van de FFW verrichten. Op basis van welke overwegingen is ervoor gekozen om de meeste uren in te zetten voor het controleren van de ontheffingsvoorschriften?

6c. In de Evaluatie Handhavingsuitvoeringsprogramma RER 2006 staat op pagina 11 aangegeven dat overwogen wordt om de meldingplicht voor het gebruik van de provinciale vrijstelling FFW te laten vervallen, omdat het om slechts 1 diersoort (spreeuw) gaat. Op welke wijze kan het aantal diersoorten waarvoor een vrijstelling van kracht is de relevantie van de meldingplicht beïnvloeden? Is de meldingplicht inzake de provinciale vrijstelling nog van kracht? Zo nee, waarom niet?

6d. Meer uren zijn ingepland voor handhaving betreffende het gebruik van de landelijke vrijstelling dan voor handhaving overtredingen jachtvoorschriften door jagers, terwijl het risico van de overtredingen jachtvoorschriften hoger wordt ingeschat (namelijk categorie 3). Kunt u toelichten hoe deze verdeling van uren tot stand is gekomen? Het gebruik van de landelijke vrijstelling is ingedeeld in risicocategorie 1, dat wil zeggen, de laagste risicocategorie. In 4 situaties zijn vangkooien gecontroleerd (in het kader van het gebruik van de landelijke vrijstelling), waarbij 2 processen-verbaal zijn opgemaakt (verstoring dassenburcht en dode egels in kraaienvangkooien). Op grond waarvan heeft u gemeend dat de landelijke vrijstelling behoort tot de laagste risicocategorie?

6e. In bijlage I: “Analyse van risico’s van het niet naleven van de groene wet- en regelgeving” staat een overzicht van de factoren die betrokken zijn bij het bepalen van de risicocategorieën. In dit overzicht zijn alle handelingen in het kader van de FFW geclassificeerd als weinig kwetsbaar, aangezien de handelingen geen gevolgen zouden hebben voor zeldzame dieren. Is de enige reden om die handelingen als niet kwetsbaar te beschouwen, dat er geen gevolgen zijn voor zeldzame dieren? En zo ja, via welke procedure of onderzoek is vastgesteld dat er geen gevolgen zijn voor zeldzame dieren?
De FFW heeft als doelstelling de bescherming van in het wild levende dieren. De zorgplicht krachtens deze wet geldt ten aanzien van alle dieren, ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt naar zeldzaamheid. Daarnaast erkent de wet dat ook dieren die geen direct nut opleveren voor de mens van onvervangbare waarde zijn (erkenning van de intrinsieke waarde). Delen Gedeputeerde Staten onze mening dat alle in het wild levende dieren een intrinsieke waarde hebben en op basis daarvan dat handelingen met nadelige gevolgen voor dieren zo veel mogelijk voorkomen moeten worden, onafhankelijk van de zeldzaamheid van de dieren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, zijn gedeputeerde staten bereid om de risico-indeling wat betreft de FFW te herzien?

7. Boswet
In de Evaluatie Handhavingsuitvoeringsprogramma RER 2006 staat op pagina 12 aangegeven dat de groeiende achterstand in de herplant- en aanslagcontroles met de beschikbare capaciteit niet ingehaald kan worden. Hoeveel overtredingen van de Boswet zijn in 2006 geconstateerd? Welke consequenties verbindt u aan de constatering dat er onvoldoende capaciteit is voor de herplant- en aanslagcontroles? Wat is nodig om de handhaving op het vereiste peil te krijgen?

8. Natuurschoonwet
In de Natuurschoonwet is vastgelegd dat het openstellen van een landgoed fiscale voordelen kan opleveren. Er bestaat een tendens dat landgoederen steeds meer afgeschermd worden door grote hekken. Dit kan belemmerend werken voor de passage van fauna. Bovendien kunnen de hekken visuele vervuiling tot gevolg hebben. Kan Gedeputeerde Staten aangeven in hoeverre zich in de provincie Utrecht belemmeringen voordoen ten aanzien van passage van fauna als gevolg van hekken rond landgoederen? Zo nee, is Gedeputeerde Staten bereid om hier onderzoek naar te laten doen? Ziet Gedeputeerde Staten mogelijkheden in het kader van de Natuurschoonwet of bijvoorbeeld de Verordening Bescherming Natuur en Landschap om negatieve ontwikkelingen op dit terrein te voorkomen? Zo ja, is Gedeputeerde Staten bereid om hiervoor extra handhavingsuren in te stellen?

9. Verordening Bescherming Natuur en Landschap
Op basis van de Verordening Bescherming Natuur en Landschap zijn regels gesteld voor het dempen van wateren. In hoeverre wordt bij de handhaving van de demping van wateren er op toegezien dat dit op een zo diervriendelijk mogelijke wijze wordt uitgevoerd? Zijn er eisen gesteld ten aanzien van het voorkomen van sterfte van dieren die in en op het water leven?

Antwoorddatum: 1 apr. 2008

Beantwoording schriftelijke vragen ex artikel 47 van het Reglement van Orde Provincie Utrecht 1998, gesteld door drs W.A. Bodewitz (Partij voor de Dieren) betreffende het Provinciaal Uitvoeringsprogramma Handhaving Utrecht 2007 d.d. 02 november 2007.

Toelichting:

Gedeputeerde Staten hebben besloten tot prioritering van de handhaving zoals voorgesteld in het Provinciaal uitvoeringsprogramma Handhaving 2007. In onderhavig document is aangegeven dat de inzet van menskracht gebaseerd wordt op de prioritering voortvloeiend uit een risicomatrix (categorie 4: hoog risico, lage mate van naleving; categorie 3: hoog risico, hoge mate van naleving; categorie 2: laag risico, lage mate van naleving; categorie 1: laag risico, hoge mate van naleving). Omdat voor de handhaving van de “groene” regelgeving als geheel in 2007 een tekort van 1265 uur bestond, is besloten tot een verminderde inzet op de laagste risicocategorieën. Dit wekt de verwachting dat gelijkmatig uren verminderd worden voor alle handhavingstaken die zijn ingedeeld in categorie 1. Gedeputeerde Staten hebben echter besloten om specifiek de handhavingsuren voor de Boswet, Ontgrondingenwet en Natuurschoonwet te verlagen, hoewel juist de handhavingstaken aangaande deze wetten grotendeels in de categorieën 3 en 4 zijn ingedeeld.

De PvdD-fractie merkt op dat het belang van deugdelijke handhaving van milieu- en groene wetgeving niet onderschat moet worden. Het stellen van regels is relatief eenvoudig. De naleving van regels blijkt in de toepassingspraktijk dikwijls weerbarstiger dan bij het opstellen van de regels wordt aangenomen.

In dit verband willen wij u de volgende vragen voorleggen.

1. De inleiding van de nota noemt als uitgangspunt: het optimaliseren van de handhavingsactiviteiten.
Welke van de genoemde wetgeving moet op het punt van handhaving als het meest problematisch worden beschouwd op dit moment, en wat moet als oorzaak van de problematiek worden aangewezen?
Meer in algemeen wordt onze fractie graag geïnformeerd welke elementen van de handhaving niet afdoende functioneren, en op welke wijze de voorliggende nota daar verbetering in brengt.

2. In §3 geeft u aan dat voor sommige handhavingstaken minder uren zijn gepland dan gewenst. Graag vernemen wij expliciet welke taken dit betreffen.

3. Bij de groene regelgeving is ook de handhaving aangaande woonschepen en borden ingedeeld. Voor deze handhavingscategorieën zijn aanzienlijk meer uren gepland in 2007 dan voor de “groene” wetten, zoals de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet. Het totaal aantal uren voor de FFW bedraagt slechts 650, voor de Boswet 420 en voor de Natuurbeschermingswet zelfs slechts 50. Op basis van de risicomatrix kan dit lage aantal uren niet verklaard worden (gezien het feit dat een belangrijk deel van de FFW onder categorie 3 valt en de Boswet voor een deel onder categorie 3 en 4 en de Natuurbeschermingswet onder categorie 4). De provincie heeft wettelijk vastgelegde taken voor de volgende “groene” wetten: FFW, Boswet, Natuurbeschermingswet en Ontgrondingenwet.
Kan hieruit geconcludeerd worden dat de risicomatrix niet toegepast is voor het vaststellen van handhavingsuren voor deze wettelijke taken? Zo ja, welke redenen kunt u hiervoor noemen? Zo nee, kunt u toelichten waarom het aantal geplande handhavingsuren relatief zeer laag is voor deze wettelijke taken, ondanks het feit dat de risico’s als hoog worden ingeschat?

4. De Provincie Zuid-Holland ontvangt jaarlijks financiële middelen van de minister van LNV voor de taken voortkomend uit de FFW, de Natuurbeschermingswet en de Boswet. Naast de aanschaf en exploitatie van voer- en vaartuigen heeft de afdeling Handhaving van de provincie Zuid-Holland dit bedrag - anno 2007 - omgezet in 7 formatieplaatsen. Ontvangt de Provincie Utrecht financiële middelen van het ministerie van LNV voor bovenstaande “groene” wetten? Zo ja, hoe hoog is dit bedrag en hoe wordt het geld ingezet?

5. Natuurbeschermingswet
5a. Sinds 2005 is de provincie het bevoegde gezag inzake de Natuurbeschermingswet. Deze wet verplicht tot het beoordelen van handelingen op schadelijkheid voor krachtens die wet beschermde gebieden. Ons is duidelijk geworden dat tot op heden een grote achterstand bestaat in die beoordeling. Zeer veel activiteiten vinden plaats zonder de vereiste rechtstitel en zijn daarmee illegaal. Hieruit volgt veel werk voor de afdeling handhaving.

5b. Is het juist dat met de in werking treding van de Natuurbeschermingswet een vergunningplicht geldt voor alle handelingen die een significant negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstelling van de wettelijk beschermde gebieden?

5c. Welk criterium hanteren Gedeputeerde Staten voor het bepalen of er sprake is van een 'significant negatief effect' voor een Natura 2000-gebied? Dit heeft gevolgen voor het vaststellen in welke mate bedrijven vergunningplichtig zijn. Indien geen algemeen criterium kan worden genoemd: welke handelingen hebben prioriteit om daarvoor een criterium te stellen van een significant negatief effect?

5d. Voor welk totaal aantal handelingen is volgens uw eerste inschatting een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet vereist?

5e. Hoeveel volgens de huidige Natuurbeschermingswet vergunningplichtige handelingen beschikken over een vergunning binnen onze provincie?

5f. Hoeveel volgens de huidige Natuurbeschermingswet vergunningplichtige handelingen beschikken niet over een vergunning?

5g. Is door u onderzocht voor welk aantal veehouderijbedrijven waarschijnlijk een vergunning is vereist vanwege schadelijke stikstofdeposities op verzuring gevoelige natuur? Op basis van welk criterium is dit vastgesteld? Indien beschikbaar, krijgen wij graag de beschikking over dit onderzoek.

5h. Bent u het met ons eens dat alle handelingen welke als vergunningplichtig moeten worden beschouwd en desondanks niet over een vergunning beschikken, als illegaal moeten worden aangemerkt?

5i. Graag krijgen wij het overzicht van de 5 door u genoemde passieve gedoogsituaties inzake ammoniakdeposities (bijlage 2, pg. 13)

5j. Indien zeer veel (potentieel) schadelijke handelingen onvergund zijn, en dientengevolge als illegaal moeten worden aangemerkt, bent u het dan met ons eens dat de thans gereserveerde capaciteit voor handhaving van de Natuurbeschermingswet volstrekt onvoldoende is?
Op basis waarvan acht u het aanvaardbaar dat slechts 50 uur beschikbaar wordt gesteld voor een taak waarvan de omvang nog nauwelijks goed in beeld is gebracht?

5k. Welke rol speelt de provincie in het opstellen van de beheerplannen? Ziet de provincie er op toe dat de beheerplannen zodanig worden opgesteld dat deze zich ook voor handhaving lenen, nu daar nog een goede gelegenheid voor bestaat?

5l. Waarop is de gedachte gebaseerd dat jaarlijks 30 uur handhaving volstaat om de beheerplannen op naleving te controleren? Is dit inclusief locatiebezoek, en raadpleging van deskundigen?

6. Flora- en faunawet
6a. Indien een laag aantal handhavingsuren wordt ingezet, kan verwacht worden dat een evenredig laag aantal overtredingen wordt geconstateerd. Op basis van hoeveel handhavingsuren in het veld is vastgesteld dat de naleving wat betreft de FFW hoog is? Hoeveel overtredingen zijn geconstateerd en wat is het percentage van geconstateerde overtredingen ten opzichte van het aantal handhavingsuren voor de FFW in 2006? Hoe verhoudt zich dat tot handhaving van alle overige regelgeving? Bent u het met ons eens dat het aantal geconstateerde overtredingen niet een goede indicatie hoeft te zijn van het daadwerkelijke aantal overtredingen doordat sommige overtredingen moeilijker opgespoord kunnen worden dan andere? Welke conclusies verbindt u hieraan voor wat betreft de vaststelling van de mate van naleving van de FFW?

6b. Van de 650 uur voor de handhaving van de FFW wordt de meeste tijd ingezet op het controleren van ontheffingsvoorschriften. Stichting Faunabescherming heeft echter in de praktijk ervaren dat de meeste overtredingen plaatsvinden buiten de ontheffing, namelijk door personen die geen ontheffing hebben aangevraagd en desondanks handelingen in het kader van de FFW verrichten. Op basis van welke overwegingen is ervoor gekozen om de meeste uren in te zetten voor het controleren van de ontheffingsvoorschriften?

6c. In de Evaluatie Handhavingsuitvoeringsprogramma RER 2006 staat op pagina 11 aangegeven dat overwogen wordt om de meldingplicht voor het gebruik van de provinciale vrijstelling FFW te laten vervallen, omdat het om slechts 1 diersoort (spreeuw) gaat. Op welke wijze kan het aantal diersoorten waarvoor een vrijstelling van kracht is de relevantie van de meldingplicht beïnvloeden? Is de meldingplicht inzake de provinciale vrijstelling nog van kracht? Zo nee, waarom niet?

6d. Meer uren zijn ingepland voor handhaving betreffende het gebruik van de landelijke vrijstelling dan voor handhaving overtredingen jachtvoorschriften door jagers, terwijl het risico van de overtredingen jachtvoorschriften hoger wordt ingeschat (namelijk categorie 3). Kunt u toelichten hoe deze verdeling van uren tot stand is gekomen? Het gebruik van de landelijke vrijstelling is ingedeeld in risicocategorie 1, dat wil zeggen, de laagste risicocategorie. In 4 situaties zijn vangkooien gecontroleerd (in het kader van het gebruik van de landelijke vrijstelling), waarbij 2 processen-verbaal zijn opgemaakt (verstoring dassenburcht en dode egels in kraaienvangkooien). Op grond waarvan heeft u gemeend dat de landelijke vrijstelling behoort tot de laagste risicocategorie?

6e. In bijlage I: “Analyse van risico’s van het niet naleven van de groene wet- en regelgeving” staat een overzicht van de factoren die betrokken zijn bij het bepalen van de risicocategorieën. In dit overzicht zijn alle handelingen in het kader van de FFW geclassificeerd als weinig kwetsbaar, aangezien de handelingen geen gevolgen zouden hebben voor zeldzame dieren. Is de enige reden om die handelingen als niet kwetsbaar te beschouwen, dat er geen gevolgen zijn voor zeldzame dieren? En zo ja, via welke procedure of onderzoek is vastgesteld dat er geen gevolgen zijn voor zeldzame dieren?
De FFW heeft als doelstelling de bescherming van in het wild levende dieren. De zorgplicht krachtens deze wet geldt ten aanzien van alle dieren, ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt naar zeldzaamheid. Daarnaast erkent de wet dat ook dieren die geen direct nut opleveren voor de mens van onvervangbare waarde zijn (erkenning van de intrinsieke waarde). Delen Gedeputeerde Staten onze mening dat alle in het wild levende dieren een intrinsieke waarde hebben en op basis daarvan dat handelingen met nadelige gevolgen voor dieren zo veel mogelijk voorkomen moeten worden, onafhankelijk van de zeldzaamheid van de dieren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, zijn gedeputeerde staten bereid om de risico-indeling wat betreft de FFW te herzien?

7. Boswet
In de Evaluatie Handhavingsuitvoeringsprogramma RER 2006 staat op pagina 12 aangegeven dat de groeiende achterstand in de herplant- en aanslagcontroles met de beschikbare capaciteit niet ingehaald kan worden. Hoeveel overtredingen van de Boswet zijn in 2006 geconstateerd? Welke consequenties verbindt u aan de constatering dat er onvoldoende capaciteit is voor de herplant- en aanslagcontroles? Wat is nodig om de handhaving op het vereiste peil te krijgen?

8. Natuurschoonwet
In de Natuurschoonwet is vastgelegd dat het openstellen van een landgoed fiscale voordelen kan opleveren. Er bestaat een tendens dat landgoederen steeds meer afgeschermd worden door grote hekken. Dit kan belemmerend werken voor de passage van fauna. Bovendien kunnen de hekken visuele vervuiling tot gevolg hebben. Kan Gedeputeerde Staten aangeven in hoeverre zich in de provincie Utrecht belemmeringen voordoen ten aanzien van passage van fauna als gevolg van hekken rond landgoederen? Zo nee, is Gedeputeerde Staten bereid om hier onderzoek naar te laten doen? Ziet Gedeputeerde Staten mogelijkheden in het kader van de Natuurschoonwet of bijvoorbeeld de Verordening Bescherming Natuur en Landschap om negatieve ontwikkelingen op dit terrein te voorkomen? Zo ja, is Gedeputeerde Staten bereid om hiervoor extra handhavingsuren in te stellen?

9. Verordening Bescherming Natuur en Landschap
Op basis van de Verordening Bescherming Natuur en Landschap zijn regels gesteld voor het dempen van wateren. In hoeverre wordt bij de handhaving van de demping van wateren er op toegezien dat dit op een zo diervriendelijk mogelijke wijze wordt uitgevoerd? Zijn er eisen gesteld ten aanzien van het voorkomen van sterfte van dieren die in en op het water leven?


Antwoorden:

1. De handhaving van de groene regelgeving staat in verhouding het meest onder druk. Dit blijkt uit de evaluatie van het provinciaal Uitvoeringsprogramma Handhaving 2007. Deze gegevens zijn gebruikt als input voor het Uitvoeringsprogramma Vergunningverlening en Handhaving 2008. Dat programma is momenteel in voorbereiding. De oorzaak is gelegen in een gebrek aan menskracht. In sommige situaties wordt niet of met een te lage frequentie gehandhaafd. Daardoor zijn er achterstanden ontstaan. Uit de evaluatiegegevens over 2007 blijkt, dat er ook in 2007 met name bij de ‘groene’ regelgeving sprake was van een handhavingstekort.


2. Het gaat om de volgende taken:
 Boswet tekort 530 uur;
 Natuurbeschermingswet tekort 470 uur;
 Ontgrondingenwet tekort 265 uur.

3. De genoemde urentotalen zijn juist. Handhaving van woonschepen en borden is gebaseerd op de provinciale Verordening bescherming natuur en landschap (VNL) en valt daarmee ook onder de noemer ‘groene’ regelgeving die de provincie zichzelf autonoom heeft opgelegd. Voor de Flora- en Faunawet werd voor 2007 geen tekort becijferd. Voor de Boswet, de Natuurbeschermingswet en de Ontgrondingenwet wél (resp. 530, 470 en 265 uur). De Boswet-activiteiten komen in alle vier de risico-categorieën voor en de Ontgrondingen-activiteiten in de risico-categorieën I t/m III. Activiteiten ingevolge de Natuurbeschermingswet zijn ingedeeld in risico-categorie IV. De VNL-taken zitten in alle vier de risico-categorieën. Veel VNL-werkzaamheden vallen onder de categorieën III en IV. De risicomatrix wordt/is standaard toegepast voor het vaststellen van de gewenste handhavingsinzet voor zowel wettelijke als autonome provinciale taken. Bij de uiteindelijke toedeling van de uren voor 2007 heeft het relatief grote aantal risicovolle VNL-taken zwaar meegewogen. Wat betreft de Natuurbeschermingswet ontbrak het eind 2006 aan duidelijk inzicht over het preciese takenpakket. Op grond van vorengenoemde argumenten hebben wij wat betreft 2007 er voor gekozen om:
• de achterstand bij de handhaving van de VNL-taken niet verder te laten groeien;
• wat betreft de Natuurbeschermingswet éérst duidelijkheid te krijgen omtrent de omvang van het provinciale takenpakket;
• op wettelijke taken op grond van de Boswet en de Ontgrondingenwet tot nader order in 2007 in verhouding wat minder capaciteit in te zetten omdat slechts een enkele Boswetactiviteit in risicocategorie IV voorkomt.
In het ontwerp Uitvoeringsprogramma Vergunningverlening en Handhaving 2008 is nader op dit item ingegaan.

4. Vanaf 2005 krijgen alle provincies via het Provinciefonds middelen vanuit de rijksbegroting voor de provinciale taakuitvoering m.b.t. ontheffingverlening Flora- en Faunawet en vergunningverlening Natuurbe-schermingswet. De bijdrage die de provincie Utrecht op basis van de provinciale verdeelsleutel ontvangt, wordt besteed aan: de huidige formatiecapaciteit voor vergunningverlening en handhaving (zie Uitvoeringsprogramma Vergunningverlening en Handhaving 2008), publicatiekosten, exploitatiesubsidie Faunabeheereenheid Utrecht. De overdracht van taken in het kader van de Boswet heeft al vele jaren eerder plaatsgevonden.

5.
5a. De provincies hebben sinds 1996 een taak bij de uitvoering van bepaalde onderdelen van de Natuurbeschermingswet: advisering van het ministerie van LNV voor wat betreft vergunningverlening en handhaving in de beschermde Natuurmonumenten. Sinds 1 oktober 2005 is de Natuurbeschermingswet 1998 in werking getreden waarin de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn verwerkt als onderdeel van het samenhangend netwerk van leefgebieden en soorten in Europa. Dit netwerk heet Natura 2000. Vanaf deze datum zijn wij bevoegd gezag voor de aangewezen Vogelrichtlijngebieden en de beschermde Natuurmonumenten en wij zullen bevoegd gezag worden voor de Habitatrichtlijngebieden zodra deze zijn aangewezen.
Met betrekking tot de taken ten aanzien van de Natura 2000-gebieden voeren de provincies en de Minister van LNV een gezamenlijk beleid, neergelegd in de brief van 1 september 2006. Dit betekent dat in principe geen vergunningentraject wordt gestart met betrekking tot bestaand gebruik behalve in ecologisch urgente situaties. Momenteel ligt er een wetsvoorstel in de Tweede Kamer dat het bestaand gebruik tot aan de vaststelling van de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden moet regelen. Het wetsvoorstel zal de vergunningplicht voor bestaand gebruik opheffen. Gezien deze afspraken handhaven wij niet op het bestaand gebruik. Onze prioriteit ligt momenteel bij nieuw gebruik of bestaand gebruik dat wijzigt. In verband hiermee kunnen wij bevestigen dat het aantal aanvragen voor vergunningen toeneemt en de handhavingsinspanningen evenredig meelopen. Echter, voor een aantal activiteiten blijkt in de voortoets al dat ze zonder vergunning kunnen plaatsvinden.
5b. Ja, dat is juist.
5c. Met de partners in het steunpunt Natura 2000 is afgesproken het volgende algemene criterium te hanteren: ”Een significant negatief effect is een wezenlijke verslechtering van de kwaliteit en/of vermindering van de omvang van een habitattype zoals bedoeld in het instandhoudingsdoel ten gevolge van menselijk handelen, afhankelijk van de staat van instandhouding en de trends en natuurlijke fluctuaties in omvang/kwaliteit van habitattypen dan wel in populatie-omvang van soorten.”
5d. Voor alle niet onder het bestaande gebruik te scharen activiteiten vanaf 1 oktober 2005 die mogelijk een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen. En voor bestaande activiteiten die niet in de nog op te stellen beheerplannen kunnen worden gelegaliseerd.
5e. Spontane vergunningaanvragen zijn er niet veel, zodat in principe weinig handelingen over een vergunning beschikken en dus zijn getoetst aan het criterium onder 5c. Van de binnengekomen verzoeken blijkt in een aantal gevallen uit de oriëntatiefase (de voortoets) dat de handelingen vergunningvrij kunnen plaatsvinden.
5f. Dit is onbekend; het inventariseren hiervan zou veel (niet beschikbare) tijd kosten.
5g. Nee. Voor de beoordeling van gewijzigd bestaand gebruik in dit verband wordt sinds 22 mei 2007 getoetst met behulp van het door de Minister van LNV vastgestelde Interim Toetsingskader Ammoniak Natura 2000 gebieden. Dit kader geldt voor zolang er nog geen beheerplan is. In het kader van het Toetsingskader is voor alle Natura 2000 gebieden de voor dat gebied meest kritische depositiewaarde vastgesteld. Dit is de hoeveelheid ammoniak die de natuurwaarden in een gebied zonder aantoonbare schade kunnen verdragen. Het onderzoek naar de kritische depositiewaarden staan in het Alterra-rapport 1491, ISSN 1566-7197. Nadere informatie over het toetsingskader staat op de website van het Ministerie van LNV.
5h. Nee, zie punt 5a.
5i. Bijlage 2, pagina 13 zag op het Natura 2000 gebied Groot Zandbrink ten oosten van Leusden. De jongste inzichten wijken af van hetgeen wij eerder in die bijlage stelden. Het wachten is op het uitkomen van een beheerplan dat uitsluitsel moet geven wat er ter plaatse al dan niet legaal mag plaatsvinden. Pas dan is duidelijk of er al dan niet sprake is van overtredingen. En eerst dan kan worden vastgesteld of er sprake is van gedoogsituaties.
5j. Uit het Handhavingsuitvoeringsprogramma 2007 RER (pag. 33) blijkt, dat de provincie een inzet van bijna 500 uur in principe passend had gevonden. Eind 2006 was er nog geen duidelijkheid omtrent de omvang van het provinciale takenpakket. Daarom is voor 2007 in verhouding een gering aantal handhavingsuren beschikbaar gesteld. Voor wat betreft 2008 beraden wij ons of een structurele inzet van 0,5 fte realiseerbaar is (excl. 0,1 fte die vanuit de provincie Flevoland beschikbaar is ten behoeve van handhavingstaken in relatie tot het Eemmeer).
5k. De provincie stelt beheerplannen op in overleg met de betrokken beheerder(s) met advies van de betrokken eigen afdelingen. De provinciale input is afhankelijk van waar de beheerder om vraagt. Uiteindelijk stelt de provincie de beheerplannen vast. Beheerplannen moeten zich vanzelfsprekend ook voor handhaving lenen.
5l. Er is in 2007 50 uur gereserveerd om als provincie inzicht te verkrijgen omtrent omvang en intensiteit van het provinciale takenpakket op dit punt. Vooruitlopend daarop is een globale schatting gemaakt van benodigde uren voor de handhaving van de uitvoering van (enkele) beheerplannen, zonder dat daarvoor in 2007 definitief uren ter beschikking zijn gesteld. Het item maakt deel uit van het Uitvoeringsprogramma Vergunningverlening en Handhaving 2008.

6.
6a. De vaststelling dat de naleving van de FFW hoog is (d.w.z. bij méér dan de helft van de uitgevoerde controles is sprake van een redelijke tot goede naleving), heeft plaatsgevonden op basis van de onder vraag aangehaalde inzet van 650 uur voor de handhaving van de FFW. In relatie tot de overige ‘groene’ regelgeving is de FFW hiermee niet karig bedeeld. Het preciese aantal overtredingen in 2006 is niet bijgehouden. In de evaluatie van het uitvoeringsprogramma RER 2006 herkennen wij geen passage waaruit blijkt dat wij het aantal geconstateerde overtredingen een goede indicatie vinden van het daadwerkelijke aantal overtredingen. Met u zijn wij van mening dat een exact nalevingspercentage alleen is vast te stellen wanneer alle denkbare overtredingen opgespoord zouden kunnen worden. Echter, de ervaring leert, dat het wél geconstateerde naleefgedrag gemiddeld genomen een goede indicatie van de overall-situatie is.
6b. Wij wijzen er op dat de handhaving van de FFW een taak is van zowel politie, Algemene Inspectie Dienst als provincie. Het accent voor wat betreft de provinciale taak ligt bij het toezien op het naleven van ontheffingen. Dat spoort met ons Collegeprogramma 2007-2011 waarin als uitgangpunt is vermeld dat, waar we als provincie regels stellen, we die regels ook handhaven (pag. 29, onderaan). De omvang van deze taak (= het aantal benodigde uren) maakt het de provincie niet mogelijk om, anders dan incidenteel en in het kader van reguliere controlewerkzaamheden, om daarnaast ook andere activiteiten ingevolge deze wet op te pakken. Dat is primair aan de beide andere hierboven genoemde handhavingspartners.
6c. De vrijstelling geldt nog steeds. Bij de invoering van de verordening in 2002 waren meer soorten 'meldingsplichtig'. Het voordeel van de meldingsplicht is, dat de provincie in beeld heeft waar de dieren worden verjaagd. Voor de inzet van handhaving is dat een voordeel. Kraai en kauw zijn echter van de provinciale lijst met schadesoorten overgeheveld naar de landelijke lijst. Voor landelijke schadesoorten geldt geen meldingplicht. Aangezien spreeuwen en kraaien in fruitteeltgebieden een zelfde vorm van schade veroorzaken en veelal tegelijkertijd voorkomen, bleek in de praktijk dat meldingen voor spreeuwenafschot nog maar weinig werden gedaan omdat tegelijkertijd kraaien gewoon bestreden konden worden. Echter, met een op korte termijn te realiseren aanpassing van de vrijstelling worden de soorten grauwe gans, kolgans en smient toegevoegd en zal de meldingsplicht weer actueel worden. Ook voor de spreeuw blijft daarom deze meldingsplicht bestaan.
6d. Het risico van overtredingen op jachtvoorschriften is indertijd abusievelijk onjuist weergegeven (had risico-categorie I moeten zijn). De indeling in risico-categorieën is begin 2007 opgesteld op basis van meerdere (gewogen) criteria. Naleefgedrag en risico van niet-naleving worden bepaald aan de hand van ervaringsgegevens en provinciale deskundigheid.
6e. Bij de FFW gaat het in het bijzonder om het verlenen van ontheffingen voor ingrepen in populaties met het oog op beheer en schadebestrijding. Handelingen ingevolge de FFW zijn weinig kwetsbaar omdat het bij de bestrijding van schade vrijwel altijd om niet zeldzame dieren gaat. Bestrijding is immers inherent aan het op bepaalde plaatsen voorkomen van te grote aantallen dieren die, juist door hun aantal, onevenredige schade veroorzaken. Los daarvan zijn wij met u van mening dat alle in het wild levende dieren een intrinsieke waarde hebben. Echter, zodra het natuurlijk evenwicht, door welke oorzaak dan ook, verloren gaat en dieren onevenredige schade veroorzaken, ontstaat er een reden voor beheersmaatregelen en schadebestrijding. Dat staat los van het ook door ons onderschreven principe dat handelingen met nadelige gevolgen voor dieren zo veel mogelijk moeten worden voorkomen. En dat is nu ook precies het doel van de FFW.



7. Het totaal aantal overtredingen van de Boswet in 2006 is onbekend. Bekend zijn slechts 22 illegale vellingen in de eerste helft van 2006. In 2007 is voor de uitvoering van deze taak 500 uur extra capaciteit ingehuurd. In het kader van de voorbereiding van het Uitvoeringsprogramma Vergunningverlening en Handhaving 2008 gaan wij na of aan deze capaciteitsuitbreiding een structureel karakter kan worden gegeven.

8. De provincie beschikt wat betreft de aangehaalde belemmeringen niet over specifieke aanwijzingen die in die richting wijzen. De provincie heeft inzake de Natuurschoonwet met name tot taak het toetsen van aanvragen of deze voldoen aan de criteria en of de aanvragen gerangschikt kunnen worden onder de Natuurschoonwet 1928. De provincie staan geen instrumenten ter beschikking om op dit punt sturend op te treden. Evenmin heeft de provincie op basis van de Natuurschoonwet of de VNL formele handhavende bevoegdheden. Het is de Belastingdienst die middels periodieke controles toeziet op de uitvoering en de naleving van de Natuurschoonwet. Om die reden zien wij geen aanleiding om extra handhavingsuren ter beschikking te stellen.

9. Er zijn, noch in de VNL zelf, noch in de bijbehorende toelichting, eisen gesteld ten aanzien van het bij dempingsactiviteiten voorkomen van sterfte van dieren die in en op het water leven. Mitsdien wordt er bij de handhaving door de provincie niet op toegezien. Wel wordt er voorgeschreven dat er niet in het broedseizoen gedempt mag worden. Hierop wordt wel toegezien. Opgemerkt zij, dat het ministerie van LNV op basis van de Flora- en Faunawet een eigen verantwoordelijkheid heeft. Bij aanvragen om ontheffing, die bij de provincie binnenkomen, wordt hierop standaard gewezen.


Gedeputeerde Staten van Utrecht,

Voorzitter,

Secretaris,

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer