Vragen over de toename van geitenhouderijen - vervolg  

Geachte College van Gedeputeerde Staten,

Toelichting

Op 10 november 2016 heeft de Partij voor de Dieren schriftelijke vragen gesteld over de gezondheidsrisico’s voor omwonenden als gevolg van de groei en intensivering van geitenhouderijen in de provincie Utrecht. Naar aanleiding van de beantwoording willen wij u een aantal vervolgvragen voorleggen.

In het antwoord op vraag twee over de toename van geiten- en geitenhouderijen stelt u dat “het aantal geitenhouderijen in de provincie Utrecht tussen 2000 en 2015 nagenoeg gelijk is gebleven. Het aantal geiten is toegenomen van 7.365 in 2000 naar 22.872 in 2015.” Hiermee is het aantal geiten per geitenhouderij in vijf jaar tijd meer dan verdriedubbeld.

1.  Kunt u aangeven of het aannemelijk is dat de groei van het aantal gehouden geiten in de provincie Utrecht de komende jaren zal blijven aanhouden?

2.  Is er naast een beperking van de bouwblokgrootte van agrarische bedrijven zoals vastgelegd in de herijkte PRV, een maximum voor het aantal gehouden geiten per bedrijf?

In antwoord op vraag drie stelt u het volgende: ”Rijk en provincies hebben de intentie om het voorzorgsbeginsel een plek te geven in de Omgevingswet. Het voorzorgsbeginsel betekent niet dat elk denkbaar risico moet worden uitgesloten. Het voorzorgsbeginsel houdt wél in dat niet alleen onomstotelijk bewijs, maar ook goed onderbouwde wetenschappelijke aanwijzingen een rol kunnen spelen bij de belangenafwegingen.”

3.   Kan de provincie specifieker duiden hoe de implementatie van het voorzorgsbeginsel in de Omgevingswet er mogelijkerwijs uit komt te zien?

Als antwoord op vraag vijf geeft u onder meer het volgende aan: “Gezondheidsaspecten vallen buiten het toetsingskader van de Nbwet. (…)  De gemeente is bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning waarbij o.a. wordt getoetst op luchtkwaliteit en veiligheid. We willen onze zorg onder de aandacht van gemeenten brengen.”

4.  Heeft u deze zorg reeds onder de aandacht gebracht bij gemeenten en zo nee, op welke termijn en op welke wijze bent u van plan deze zorgen over gezondheidsrisico’s voor omwonenden nabij veehouderijen onder de aandacht te brengen van Utrechtse gemeenten?

5.  Ziet de provincie binnen haar bevoegdheden  –naast de intentie om via de Omgevingswet het voorzorgsprincipe te hanteren en het attenderen van gemeenten op gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen–  nog andere manieren om een rol te spelen in het minimaliseren van volksgezondheidsrisico’s in, nabij en als gevolg van veehouderijen? Zoja, welke mogelijkheden ziet de provincie hier?

Namens de Partij voor de Dieren en hoogachtend,

Hiltje Keller

 

Antwoorden

Geachte College van Gedeputeerde Staten,

Toelichting

Op 10 november 2016 heeft de Partij voor de Dieren schriftelijke vragen gesteld over de gezondheidsrisico’s voor omwonenden als gevolg van de groei en intensivering van geitenhouderijen in de provincie Utrecht. Naar aanleiding van de beantwoording willen wij u een aantal vervolgvragen voorleggen.

In het antwoord op vraag twee over de toename van geiten- en geitenhouderijen stelt u dat “het aantal geitenhouderijen in de provincie Utrecht tussen 2000 en 2015 nagenoeg gelijk is gebleven. Het aantal geiten is toegenomen van 7.365 in 2000 naar 22.872 in 2015.” Hiermee is het aantal geiten per geitenhouderij in vijf jaar tijd meer dan verdriedubbeld.

1.  Kunt u aangeven of het aannemelijk is dat de groei van het aantal gehouden geiten in de provincie Utrecht de komende jaren zal blijven aanhouden?

Antwoord: Het is moeilijk te voorspellen of de groei van het aantal gehouden geiten zal aanhouden. De huidige gunstige marktsituatie voor geitenmelkproducten is geen vanzelfsprekendheid bij een stijgend aanbod. Een andere onzekere factor is het landelijke mestbeleid. Op dit moment heeft het Rijk alleen volumemaatregelen genomen voor de diergroepen runderen, varkens en kippen.

2.  Is er naast een beperking van de bouwblokgrootte van agrarische bedrijven zoals vastgelegd in de herijkte PRV, een maximum voor het aantal gehouden geiten per bedrijf?

Antwoord: Er is niet in alle gevallen een maximum voor het aantal gehouden geiten per bedrijf naast de beperking die voortvloeit uit de bouwblokgrootte. In veel gevallen zal de uitbreidingsruimte beperkt worden door milieurandvoorwaarden, zoals ammoniakdepostie op Natura 2000 gebieden. Daarnaast kan de gemeente in de omgevingsvergunning een maximum voor het aantal geiten vastleggen.

In antwoord op vraag drie stelt u het volgende: ”Rijk en provincies hebben de intentie om het voorzorgsbeginsel een plek te geven in de Omgevingswet. Het voorzorgsbeginsel betekent niet dat elk denkbaar risico moet worden uitgesloten. Het voorzorgsbeginsel houdt wél in dat niet alleen onomstotelijk bewijs, maar ook goed onderbouwde wetenschappelijke aanwijzingen een rol kunnen spelen bij de belangenafwegingen.”

3.   Kan de provincie specifieker duiden hoe de implementatie van het voorzorgsbeginsel in de Omgevingswet er mogelijkerwijs uit komt te zien?

Antwoord: Bij bestuurlijke besluiten, waarbij gezondheid relevant is, dienen de gezondheidsbelangen te worden meegewogen. Voor de gezondheidsrisico's waarvoor nog geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten bestaan over de mate waarin deze risico's acceptabel zijn en/of over de wijze van beperking van die risico's geldt het voorzorgsbeginsel. Ook in dat geval moeten bestuursorganen dus rekening houden met de gezondheidsrisico's. Dit kan vertaald worden in bijvoorbeeld de wijze waarop functies aan locaties worden toegedeeld in het omgevingsplan of de daarin op te nemen regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving. De maatregelen die met het oog op het gezondheidsbelang voortvloeien uit het besluit dienen goed onderbouwd te worden. In de onderbouwing moet de redelijkheid van de wetenschappelijke aanwijzingen voor een gezondheidseffect en de adequaatheid van de voorgestelde maatregelen worden aangetoond.

Als antwoord op vraag vijf geeft u onder meer het volgende aan: “Gezondheidsaspecten vallen buiten het toetsingskader van de Nbwet. (…)  De gemeente is bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning waarbij o.a. wordt getoetst op luchtkwaliteit en veiligheid. We willen onze zorg onder de aandacht van gemeenten brengen.”

4.  Heeft u deze zorg reeds onder de aandacht gebracht bij gemeenten en zo nee, op welke termijn en op welke wijze bent u van plan deze zorgen over gezondheidsrisico’s voor omwonenden nabij veehouderijen onder de aandacht te brengen van Utrechtse gemeenten?

Antwoord: Wij zijn voornemens hier op korte termijn uitvoering aan te geven door het versturen van een bestuurlijke brief aan iedere gemeente binnen de provincie Utrecht. Deze brief zal medio maart verstuurd worden.

5.  Ziet de provincie binnen haar bevoegdheden  –naast de intentie om via de Omgevingswet het voorzorgsprincipe te hanteren en het attenderen van gemeenten op gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen–  nog andere manieren om een rol te spelen in het minimaliseren van volksgezondheidsrisico’s in, nabij en als gevolg van veehouderijen? Zoja, welke mogelijkheden ziet de provincie hier?

Antwoord: Zoals gezegd in het antwoord op vraag 3 hebben Rijk en provincies de intentie om het voorzorgsbeginsel een plek te geven in de Omgevingswet. Met dit voorzorgsbeginsel kunnen ook goed onderbouwde wetenschappelijke aanwijzingen een rol spelen bij de belangenafwegingen. In de Herijkte PRS onderkennen we dat veehouderijen impact hebben op de fysieke leefomgeving als gevolg van bijvoorbeeld fijnstof en geuremissies, zoonosen en het gebruik van antibiotica en dat dit effecten heeft op de gezondheid van mensen. Om die reden vragen wij bij uitbreiding van agrarische bouwvlakken boven de 1,5 hectare om hier bovenwettelijke maatregelen voor te nemen. Om dit te ondersteunen én om deze effecten op de gezondheid expliciet mee te kunnen wegen in ons beleid gaan wij op zoek naar een afwegingsmethode hiervoor.

Wij hebben aan de GGD regio Utrecht de vraag gesteld wat volgens hen de risico's voor de volks­gezondheid zijn in relatie tot veehouderijen en geitenhouderijen. De GGD regio Utrecht geeft aan dat na de Q-koorts epidemie in Nederland (2007-2011) er door het Rijk maatregelen zijn genomen om humane gevallen in de toekomst te voorkomen. Enkele daarvan zijn:

  • Geitenhouderijen zijn verplicht zijn om hun melkgeiten te laten vaccineren. Ook locaties met een publieksfunctie zijn verplicht hun dieren te laten vaccineren;
  • Geiten- of schapenhouders zijn verplicht abortus (een belangrijk kenmerk van Q-koorts) te melden bij de NVWA. De NVWA doet na deze melding onderzoek naar Q-koorts op het bedrijf; en 
  • Tankmelkmonsters worden het gehele jaar door (en extra in de lammerperiode) op de Q-koorts bacterie gecontroleerd.

Ondanks een landelijke en provinciale toename in het aantal geiten is het aantal meldingen van acute Q-koorts in heel Nederland juist sterk gedaald: Van een piekaantal in 2009 van 2.354 tot 22 in 2015 en 7 in 2016 (Drenthe en Overijssel). Het aantal meldingen van Q-koorts per 100.000 inwoners in 2016 in de regio Utrecht is 0.  Zolang geitenhouderijen verplicht zijn de maatregelen van de Rijksoverheid te nemen, verwacht de GGD regio Utrecht geen toename in het aantal gevallen van Q-koorts, ondanks een toename in het aantal geitenhouderijen,