Vragen over evaluatie buurtbus 505


Onderwerp: schriftelijke vragen aan het College van GS, gesteld door Wanda Bodewitz, Partij voor de Dieren, betreffende evaluatie buurtbus 505 IJsselstein-Woerden

Geacht college van Gedeputeerde Staten,

Toelichting
Aan de commissie WMM is ter kennisgeving voor de commissievergadering van 26 maart jongstleden een evaluatieverslag aangeboden met betrekking tot de vervanging van lijn 105 door Buurtbus 505.
In het onderhavige document is gesteld dat de pilot met Buurtbus 505 als succesvol betiteld kan worden. Een zeer positief resultaat van de pilot is dat een aantal personen zijn overgestapt van autogebruik op openbaar vervoer, namelijk 23 % van de gebruikers van de Buurtbus. Daar staat tegenover, dat 22 % van de gebruikers van de Buurtbus voorheen met de fiets reisde. Ook is er sprake van een sterke afname van het aantal reizigers, namelijk van 1.013 naar 476.

In dit verband willen wij de volgende vragen voorleggen.
1) Is Gedeputeerde Staten van plan om een aanvullend onderzoek te verrichten naar het huidige reizigersgedrag van degenen die voorheen gebruik maakten van lijn 105 en heden geen gebruik maken van Buurtbus 505?
2) Is Gedeputeerde Staten bereid om maatregelen te treffen voor versterking van het Openbaar Vervoer in de regio van voormalige lijn 105, indien uit aanvullend onderzoek blijkt dat veel reizigers door invoering van de Buurtbus overgeschakeld zijn van OV-gebruik naar autogebruik?
Namens de fractie van de Partij voor de Dieren en hoogachtend,

Wanda Bodewitz

Antwoorddatum: 23 apr. 2007

Memorandum

Datum 23 april 2007
Aan Statencommissie WMM
Van G. Knegtel Tel.:3531
Onderwerp beantwoording vragen uit CIE-vergadering 26 maart 2007


N.a.v. de vergadering van de commissie WMM d.d. 26 maart 2007 zijn door de Partij voor de Dieren de volgende vragen gesteld:
N.a.v. de Statenbrief ‘Evaluatie voortzetting buurtbus 505’:
1) Is Gedeputeerde Staten van plan om een aanvullend onderzoek te verrichten naar het huidige reizigersgedrag van degenen die voorheen gebruik maakten van lijn 105 en heden geen gebruik maken van Buurtbus 505?
2) Is Gedeputeerde Staten bereid om maatregelen te treffen voor versterking van het Openbaar Vervoer in de regio van voormalige lijn 105, indien uit aanvullend onderzoek blijkt dat veel reizigers door invoering van de Buurtbus overgeschakeld zijn van OV-gebruik naar autogebruik?

Antwoord vraag 1:
Het wordt niet zinvol geacht onderzoek te doen naar het reisgedrag van personen die voorheen met lijn 105 reisden en nu geen gebruik maken van buurbus 505 vanwege het lage aantal ‘uitvallers’ en het sterke vermoeden dat de ‘uitvallers’ gebruik maken van andersoortig ov.

Uit de evaluatie van de buurtbus-proef blijkt dat er per week 1013 reizigers (per werkdag ongeveer 195 reizigers) waren op lijn 105, tegen 476 reizigers (per werkdag ongeveer 85) met de buurtbus 505. Dat wil echter niet automatisch zeggen dat het totale aantal ov-reizigers is gedaald. Van de reizigers op lijn 105 reisde de helft tussen Nieuwegein en IJsselstein binnenstad. De buurtbus rijdt die verbinding niet. Voor deze reizigers zijn er zeer frequente alternatieven voorhanden in de vorm van de sneltram en buslijn 104. De reizigers van lijn 105 tussen IJsselstein en Lopik (ongeveer 45%) heeft een zeer frequent ov-alternatief met lijn 195/295. Aan het gebruik van de fietsvoorzieningen aan bushaltes van lijn 195 is af te zien dat het gebruik is gestegen. Het vermoeden is dat de ‘uitvallers’ van lijn 105 deze ov-alternatieven voor een groot deel heeft gekozen.

Het aantal reizigers dat per dag gebruik maakte van lijn 105 en nu niet meer van de buurtbus is 110 personen (195-85). Strikt gezien zijn dit het aantal verplaatsingen in heen en terugrichting bij elkaar opgeteld, dat betekent dus zo’n 55 verschillende reizigers per dag omdat bijna alle reizigers per dag een heen en terugbeweging maken.
Deze 55 reizigers per dag maken de verplaatsing op een andere manier dan voorheen. Dat kan per andere buslijn zijn (meest logisch) of per fiets of auto. Het is bijna onmogelijk deze 55 reizigers in een onderzoek te vangen omdat er dan voor een hele kleine groep reizigers een enquête moet worden gehouden onder alle inwoners in de kernen die liggen aan de route van de voormalige lijn 105. Ook enquêtes in bijv. lijn 195 zijn zeer omvangrijk. Je moet dan 28 (55/2) personen zien te halen uit een bestand van ongeveer 1250 verschillende reizigers op lijn 195 (ervan uitgaande dat alle ‘uitvallers’ van lijn 105 tussen Schoonhoven en IJsselstein gebruik maken van lijn 195 als alternatief). Daarvoor zijn enquêtes op 150 ritten per dag voor lijn 195 benodigd. Het is onderzoektechnisch bijna onmogelijk om daar deze kleine groep van 28 personen uit te filteren.

Antwoord op vraag 2:
Gezien het lage aantal reizigers die voorheen gebruik maakten van lijn 105 en nu een alternatief hebben gekozen (naar verwachting andere ov-lijnen) wordt een onderzoek niet zinvol en bijna onmogelijk geacht. Het is niet realistisch om voor 55 reizigers per dag die waarschijnlijk in een andere bus of tram zitten aanvullende maatregelen te gaan treffen.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer