Vragen over natuur­be­scher­mingswet vergunning Asschat­terweg Leusden


Indiendatum: nov. 2008

Onderwerp: Schriftelijke vragen ex art. 47 van het RvO aan het College van GS, gesteld door Wanda Bodewitz, Partij voor de Dieren, betreffende de vergunningsaanvraag voor de Natuurbeschermingswet voor Asschatterweg 60 te Leusden


Geacht College van Gedeputeerde Staten,

Toelichting
Onlangs heeft de provincie Utrecht een vergunning (2008INT225978) verleend in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 aan de heer A. van Roomen aan de Asschatterweg 60 te Leusden. De vergunning is aangevraagd vanwege een gewenste bedrijfsuitbreiding met dieren. Het bedrijf ligt op 275 meter afstand van het voor verzuring gevoelige Natura 2000 gebied Groot Zandbrink. Het betreft een uitbreiding van de veestapel van 98 melkkoeien en 58 stuks jongvee, in totaal 156 runderen. De totale milieubelasting op het beschermde natuurgebied Groot Zandbrink verdubbelt daardoor.

In de aanvraag van de vergunning stelt de aanvrager dat ter compensatie van de verdubbelde milieubelasting een vergunning voor de Wet Milieubeheer uit 1982 voor het naastgelegen bedrijf op Asschatterweg nummer 62 kan worden ingetrokken. Dit bedrijf is echter al in 2004 gestopt. Tevens is er geen enkele relatie tussen beide bedrijven.

Staatsbosbeheer geeft in haar zienswijze aan dat deze vergunning niet mag worden verleend. Zij noemen daarbij ook het argument dat salderen niet is toegestaan binnen de Natuurbeschermingswet. In uw reactie daarop schrijft u dat de ammoniakdepositie van het samengevoegde bedrijf minder is dan de twee oude bedrijven afzonderlijk. Wij zijn van mening dat in dit geval geen sprake van een samengevoegd bedrijf kan zijn, omdat er slechts 1 actief bedrijf is. Door bij dat bedrijf uitbreiding toe te staan verdubbelt de ammoniakuitstoot en -depositie.
Wij delen de mening van Staatsbosbeheer dat de vergunning voor de Natuurbeschermingswet niet had mogen worden verleend. Het inzetten van jaren eerder -om andere redenen- gestaakte bedrijven om bedrijfsuitbreiding toe te staan, houdt de ammoniakproblemen in stand.

Naar aanleiding van het voorgaande, wil de fractie van de Partij voor de Dieren de volgende vragen stellen:

1) Hoeveel jaar na de staking van bedrijfsactiviteiten ziet u een bedrijf nog als een bestaand bedrijf? Deelt u onze mening dat 1 jaar na staking van de activiteiten een bedrijf als beëindigd mag worden beschouwd? Zo nee, waarom niet?

2) Het reeds beëindigde bedrijf op nummer 62 had (en heeft) geen vergunning voor de Natuurbeschermingswet. Bovendien is het bedrijf al jaren geleden beëindigd en bestaat er geen relatie tussen dit opgeheven bedrijf en het nog bestaande bedrijf. Waarom bent u van mening dat er een mogelijk ammoniaksaldo over te dragen is naar het bedrijf op nummer 60?

3) Aangezien het twee van elkaar losstaande bedrijven betreft, is er sprake van overdracht van ammoniaksaldo. Voorziet de Natuurbeschermingswet volgens u in deze mogelijkheid, en zo ja, op welk wetsartikel baseert u zich hierbij?

4) Rechten op basis van een milieuvergunning zijn niet toepasbaar op een ontheffing voor de bescherming van natuur. Met andere woorden: een vergunning op basis van de Wet milieubeheer voor het houden van dieren in het kader van effecten op het milieu is wezenlijk anders dan het tolereren van ammoniakuitstoot in de nabijheid van een beschermd natuurgebied. Zo kan de milieuvergunning van nummer 62 geen natuurbeschermingswetontheffing worden. Op grond waarvan meent u de intrekking van een milieuvergunning in te kunnen zetten voor de verlening van een Natuurbeschermingswet vergunning?

5) Een belangrijke doelstelling van provincie, Rijk en gemeenten is het terugdringen van de ammoniakuitstoot. Het eerder intrekken van de vergunning op de wet milieubeheer uit 1982 die nog op het oude bedrijf rustte, had hier aan kunnen bijdragen. Het terugdringen van de ammoniakuitstoot zou versneld kunnen worden door milieuvergunningen van veehouderijen nabij voor verzuring gevoelige Natuurbeschermingswet gebieden actief in te trekken wanneer de bedrijfsactiviteiten worden beëindigd. Bent u bereid om in overleg te treden met de gemeenten nabij Natuurbeschermingswet gebieden om te bezien hoe in de toekomst tijdig milieuvergunningen kunnen worden ingetrokken bij bedrijfsbeëindiging?

6) In antwoord op schriftelijke vragen van ons met betrekking tot de opheffing van de compartimentering (27 november 2007) gaf u aan, dat er in Utrecht concreet plannen zijn voor 7 verplaatsingen van veehouderijen die nu op de verkeerde plek zitten nabij natuur of wonen. Hiervoor wordt forse subsidie verleend vanuit de provincie Utrecht. In hoeverre zouden kosten bespaard kunnen worden door van veehouderijen in deze gebieden tijdig de milieuvergunningen in te laten trekken zodra blijkt dat de bedrijfsactiviteiten beëindigd zijn?

7) Kunt u aangeven hoeveel de kritische depositiewaarde van ammoniak overschreden wordt in het gebied Groot Zandbrink?

8) De Natuurbeschermingswet is bedoeld om voor verzuring gevoelige natuur te beschermen. Gezien het bovenstaande leidt de voornoemde Natuurbeschermingswetvergunning tot toename van ammoniakdepositie. Wij betreuren dat en verzoeken u de vergunning te herzien en in te trekken. Bent u hiertoe bereid? Zo nee, bent u bereid de door deze vergunning toegenomen ammoniakuitstoot elders te compenseren (laten dalen)?


Namens de fractie van de Partij voor de Dieren en hoogachtend,

Wanda Bodewitz

Indiendatum: nov. 2008
Antwoorddatum: 6 jan. 2009

Beantwoording Schriftelijke vragen ex art. 47 van het Reglement van Orde aan het College van Gedeputeerde Staten gesteld door W. Bodewitz, Partij voor de Dieren, betreffende de vergunningsaanvraag voor de Natuurbeschermingswet voor Asschatterweg 60 te Leusden. (d.d. 11 november 2008)


Toelichting
Onlangs heeft de provincie Utrecht een vergunning (2008INT225978) verleend in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 aan de heer A. van Roomen aan de Asschatterweg 60 te Leusden. De vergunning is aangevraagd vanwege een gewenste bedrijfsuitbreiding met dieren. Het bedrijf ligt op 275 meter afstand van het voor verzuring gevoelige Natura 2000 gebied Groot Zandbrink. Het betreft een uitbreiding van de veestapel van 98 melkkoeien en 58 stuks jongvee, in totaal 156 runderen. De totale milieubelasting op het beschermde natuurgebied Groot Zandbrink verdubbelt daardoor.

In de aanvraag van de vergunning stelt de aanvrager dat ter compensatie van de verdubbelde milieubelasting een vergunning voor de Wet Milieubeheer uit 1982 voor het naastgelegen bedrijf op Asschatterweg nummer 62 kan worden ingetrokken. Dit bedrijf is echter al in 2004 gestopt. Tevens is er geen enkele relatie tussen beide bedrijven.

Staatsbosbeheer geeft in haar zienswijze aan dat deze vergunning niet mag worden verleend. Zij noemen daarbij ook het argument dat salderen niet is toegestaan binnen de Natuurbeschermingswet. In uw reactie daarop schrijft u dat de ammoniakdepositie van het samengevoegde bedrijf minder is dan de twee oude bedrijven afzonderlijk. Wij zijn van mening dat in dit geval geen sprake van een samengevoegd bedrijf kan zijn, omdat er slechts 1 actief bedrijf is. Door bij dat bedrijf uitbreiding toe te staan verdubbelt de ammoniakuitstoot en -depositie.
Wij delen de mening van Staatsbosbeheer dat de vergunning voor de Natuurbeschermingswet niet had mogen worden verleend. Het inzetten van jaren eerder -om andere redenen- gestaakte bedrijven om bedrijfsuitbreiding toe te staan, houdt de ammoniakproblemen in stand.



Naar aanleiding van het voorgaande, wil de fractie van de Partij voor de Dieren de volgende vragen stellen:

1. Hoeveel jaar na de staking van bedrijfsactiviteiten ziet u een bedrijf nog als een bestaand bedrijf? Deelt u onze mening dat 1 jaar na staking van de activiteiten een bedrijf als beëindigd mag worden beschouwd? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Op dit moment hanteren wij op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 waar het gaat om ammoniak het vergunde gebruik (op basis van andere wet- en regelgeving) in principe als referentie voor het bestaande gebruik. Dit betekent dat zolang de gemeente Leusden als bevoegd gezag de milieuvergunning op grond van de Wet Milieubeheer in stand laat, wij deze vergunning als uitgangspunt hanteren voor de afhandeling van de ingekomen aanvraag. Vanaf het moment inwerkingtreding van het nieuwe wetsvoorstel bestaand gebruik (thans ter behandeling in de 1ste Kamer) zal het bestaande gebruik vanaf dat moment als het feitelijke gebruik gezien moeten worden.


2. Het reeds beëindigde bedrijf op nummer 62 had (en heeft) geen vergunning voor de Natuurbeschermingswet 1998. Bovendien is het bedrijf al jaren geleden beëindigd en bestaat er geen relatie tussen dit opgeheven bedrijf en het nog bestaande bedrijf. Waarom bent u van mening dat er een mogelijk ammoniaksaldo over te dragen is naar het bedrijf op nummer 60?

Antwoord: In aansluiting op bovenstaande. Op basis van een gezamenlijk beleid van de provincies en de betrokken Ministers, neergelegd in een brief van 1 september 2006 wordt er in principe geen vergunningentraject gestart met betrekking tot bestaand gebruik in en rondom Natura 2000 gebieden, behalve in ecologisch urgente situaties. Het handelt hier om een wijziging van dat bestaand gebruik, zodat de vergunningsplicht geldt.
Beide bedrijven zijn pachtbedrijven van de Stichting de Boom, die tevens eigenaar is van het Natura 2000 gebied Groot Zandbrink. Doelstellingen van de Stichting zijn enerzijds het ecologisch in standhouden van het terrein en anderzijds de exploitatie van de voor agrarische doeleinden bestemde grond. Toen het bedrijf op Asschatterweg 60 vrij kwam stond de Stichting de Boom voor de keuze om het opnieuw te verpachten dan wel het samen te voegen met het bedrijf Asschatterweg 62. Een deel van de grond van nummer 62 is inmiddels afgestaan ten behoeve van nieuwe natuur. In 2006 hebben wij over deze nieuwe opties al eerste besprekingen gevoerd, die in maart 2008 leiden tot een aanvraag, waarbij wij hebben voorgesorteerd op het in opdracht van de Minster van LNV opgestelde rapport van de Taskforce Trojan (juni 2008) Stikstof/ammoniak i.r.t. Natura 2000. In dit rapport wordt saldering genoemd als één van de opties om ammoniakreductie te halen.


3. Aangezien het twee van elkaar losstaande bedrijven betreft, is er sprake van overdracht van ammoniaksaldo. Voorziet de Natuurbeschermingswet volgens u in deze mogelijkheid, en zo ja, op welk wetsartikel baseert u zich hierbij?

Antwoord: Artikel 19d van de wet geeft als toetsingskader dat er door de gevraagde activiteiten geen negatief (significant) effect mag optreden op de instandhoudingsdoelstellingen verwoord in het aanwijzingsbesluit. In de wijze van toetsing daarvan zit beleidsruimte zoals ook in het hierboven genoemde rapport van de Taskforce verwoord. De Raad van State heeft in meerdere uitspraken bevestigd dat saldering hierbinnen mogelijk is, mits de ammoniakdepositie overal in het natuurmonument kleiner wordt of gelijk blijft (zaaknrs 200608061/1 en 200608190/1).


4. Rechten op basis van een milieuvergunning zijn niet toepasbaar op een ontheffing voor de bescherming van natuur. Met andere woorden: een vergunning op basis van de Wet milieubeheer voor het houden van dieren in het kader van effecten op het milieu is wezenlijk anders dan het tolereren van ammoniakuitstoot in de nabijheid van een beschermd natuurgebied. Zo kan de milieuvergunning van nummer 62 geen natuurbeschermingswetontheffing worden. Op grond waarvan meent u de intrekking van een milieuvergunning in te kunnen zetten voor de verlening van een Natuurbeschermingswet vergunning?

Antwoord: Het gaat hier om twee onafhankelijke vergunningenstelsels en zo zijn ze ook toegepast. De milieuvergunning biedt alleen de basis ter berekening van de deposities op grond van de Natuurbeschermingswet. Op basis daarvan hebben wij berekend dat de nieuwe milieuvergunning voor nummer 60 ten opzichte van de som van wat is toegestaan in de afzonderlijke milieuvergunningen een verlaging van de NH3 emissie oplevert op het natuurgebied. De gemeente trekt de milieuvergunning van nummer 62 in als de natuurbeschermingswetvergunning onherroepelijk is geworden.


5. Een belangrijke doelstelling van provincie, Rijk en gemeenten is het terugdringen van de ammoniakuitstoot. Het eerder intrekken van de vergunning op de wet milieubeheer uit 1982 die nog op het oude bedrijf rustte, had hier aan kunnen bijdragen. Het terugdringen van de ammoniakuitstoot zou versneld kunnen worden door milieuvergunningen van veehouderijen nabij voor verzuring gevoelige Natuurbeschermingswet gebieden actief in te trekken wanneer de bedrijfsactiviteiten worden beëindigd. Bent u bereid om in overleg te treden met de gemeenten nabij Natuurbeschermingswet gebieden om te bezien hoe in de toekomst tijdig milieuvergunningen kunnen worden ingetrokken bij bedrijfsbeëindiging?

Antwoord: De gemeenten hebben nu al de bevoegdheid om een milieuvergunning in te trekken voor een bedrijf, waar gedurende 3 jaar geen vee aanwezig was (artikel 8:25 lid 1c Wet Milieubeheer).In de praktijk gebeurt dit nauwelijks. Daarop kunnen wij echter niet sturen.
De Minister van LNV heeft in de ‘Handreiking beoordeling activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000 gebieden’ aangegeven hoe het kabinet met de negen aanbevelingen van de taskforce Trojan zal omgaan. Onderdeel daarvan is saldering. Saldering staat in principe het actief intrekken van milieuvergunningen in de weg.


6. In antwoord op schriftelijke vragen van ons met betrekking tot de opheffing van de compartimentering (27 november 2007) gaf u aan, dat er in Utrecht concreet plannen zijn voor 7 verplaatsingen van veehouderijen die nu op de verkeerde plek zitten nabij natuur of wonen. Hiervoor wordt forse subsidie verleend vanuit de provincie Utrecht. In hoeverre zouden kosten bespaard kunnen worden door van veehouderijen in deze gebieden tijdig de milieuvergunningen in te laten trekken zodra blijkt dat de bedrijfsactiviteiten beëindigd zijn?



Antwoord: Ons beleid is er niet op gericht om landbouwactiviteiten per definitie te beëindigen maar deze toe te staan en eventueel waar mogelijk te vergroten op de meest gunstige locaties voor milieu, natuur en landschap. Daartoe zijn ondermeer landbouwontwikkelingsgebieden voor de intensieve veehouderij in ontwikkeling. Het actief laten intrekken van milieuvergunningen bij bedrijfsbeëindiging zal de economische ontwikkelingen van de overgebleven bedrijven belemmeren, evenals de technische innovaties ten gunste van de natuur.


7. Kunt u aangeven hoeveel de kritische depositiewaarde van ammoniak overschreden wordt in het gebied Groot Zandbrink?

Antwoord: De totale depositie van stikstof (achtergrond en omgeving totaal) voor Groot Zandbrink bedraagt 2500-3000 kg/ha/jr (bron: NMP 2006). De omgevingsdepositie is slechts een gedeelte hiervan. Er is dus sprake van een overschrijding van de kritische depositiewaarde (830 kg/ha/jr).Voor verschillende natuurgebieden is niet uitsluitend de stikstofdepositie bepalend voor de kwaliteit van het gebied maar vooral ook de grondwaterstand en de mate van onderhoud van het gebied. Groot Zandbrink behoort evenals het Binnenveld op de grens van Veenendaal en Ede tot de zogenaamde TOP gebieden waar de bestrijding van de verdroging de hoogste prioriteit heeft.


8. De Natuurbeschermingswet is bedoeld om voor verzuring gevoelige natuur te beschermen. Gezien het bovenstaande leidt de voornoemde Natuurbeschermingswetvergunning tot toename van ammoniakdepositie. Wij betreuren dat en verzoeken u de vergunning te herzien en in te trekken. Bent u hiertoe bereid? Zo nee, bent u bereid de door deze vergunning toegenomen ammoniakuitstoot elders te compenseren (laten dalen)?

Antwoord: Nee, zoals hierboven en in de beschikking uitgelegd is er met de toepassing van de Natuurbeschermingswet 1998 een afname bewerkstelligd van de totale ammoniakdepositie op het natuurgebied. Daarom is er ook geen aanleiding om deze uitstoot elders te compenseren
De vergunning is ondertussen aangevochten. Het advies van de bezwaarcommissie is om de vergunning


Gedeputeerde Staten van Utrecht,


Voorzitter,

Secretaris,

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer