Vragen over over­matige stik­stof­de­po­sities op natuur


Indiendatum: nov. 2009

Onderwerp: Schriftelijke Vragen ex art. 47 van het RvO aan het College van Gedeputeerde Staten, betreffende maatregelen tegen overmatige stikstofdeposities op de natuur.
Gesteld door: Wanda Bodewitz, Partij voor de Dieren


Toelichting:
In 2001 verscheen de kabinetsnota 'Een Wereld en een Wil: werken aan Duurzaamheid’ . Doel van dit plan was onder meer om een eind te maken aan het afwentelen van milieulasten op andere landen en de generaties na ons. Met de huidige manier van produceren en consumeren schuiven we nog steeds vaak de milieulasten door naar de toekomst, of kiezen voor ‘end of the pipe’ oplossingen die niets bijdragen aan verduurzaming.
In de toekomst wil men 95% van de natuur in Nederland veilig stellen van degradatie door overmatige stikstofdepositie. Hiervoor zal de depositie aanzienlijk moeten afnemen. Voor 2010 is als tussendoelstelling een stikstofdepositie van 1.650 mol per hectare vastgesteld. Met deze waarde is
20 % van de Nederlandse natuur beschermd. Uit onderzoek blijkt echter dat de huidige depositie gemiddeld rond de 2000-2500 mol stikstof per hectare ligt. Dit betekent dat meer dan 80% van de Nederlandse natuur bedreigd wordt door een te hoge stikstofdepositie en degradeert.

Om dit te voorkomen hechten we grote waarde aan stringente maatregelen en duurzaam beleid wat betreft de stikstofdepositie. Omdat 72 % van de binnenlandse depositie van stikstof afkomstig is uit de agrarische sector valt hier met goed beleid en de juiste maatregelen de meeste winst te behalen.

Graag willen we in dit kader de volgende vragen aan u voorleggen:


1. In de antwoorden op de vragen die wij op 11 september 2008 indienden aan het college van Gedeputeerde Staten over de subsidie voor luchtwassers gaf u het volgende aan:
“Gedeputeerde Staten zullen in overleg met de Reconstructie na gaan of de oorspronkelijke voorwaarden in het subsidiekader AVP moeten worden opgenomen en zullen Provinciale Staten hierover informeren.” Kunt u ons berichten wat de stand van zaken is?

2. Moderne technieken die ontworpen zijn om een stap verder te komen in de richting van duurzame productieprocessen worden vaak met een heel andere intentie ingezet. De behaalde milieuwinst door inzet van deze technieken wordt in veel gevallen tenietgedaan door het bieden van meer productieruimte. Sterker nog, het lijkt erop dat luchtwassers worden ingezet omwille van een uitbreiding. Deelt u onze mening dat de door moderne technieken behaalde milieuwinst in een overbelaste situatie niet (geheel of deels) teniet gedaan mag worden door uitbreiding van het bedrijf?

3. Niet alleen in ons land zorgt de intensieve veehouderijsector voor milieu- en duurzaamheidproblemen. De milieuproblemen in de landen waar productie van veevoer en winning van kunstmest plaatsvindt, zijn in ernst en omvang niet te vergelijken met ‘onze’ problematiek. Ontbossing en fosfaatwinning zorgen voor wereldbedreigende klimaatproblemen, biodiversiteitafname, erosie en uitputting. Waar men de milieuproblemen in Nederland te lijf gaat met luchtwassers en emissiearme stalsystemen, leggen de veel ernstiger milieuproblemen die zich buiten ons land voordoen geen gewicht in de schaal. Bent u met ons van mening dat bij het vergunnen van een uitbreiding niet alleen de regionale milieueffecten moeten worden gewogen, maar ook de problemen die een uitbreiding elders in de wereld tot gevolg heeft? Hoe zou hieraan vorm kunnen worden gegeven binnen de vergunningverlening?


4. Provinciale subsidie voor luchtwassers is uitsluitend mogelijk voor bedrijven in het reconstructiegebied. De huidige AVP- subsidie voor luchtwassers wordt in de praktijk meestal gebruikt als subsidie voor uitbreiding van de veestapel. Met het verdwijnen van (de gebiedsverdeling van) dierrechten, lijkt het ons aannemelijk dat deze subsidiemogelijkheid nieuwvestiging en uitbreiding van veehouderijen binnen het Reconstructiegebied in de hand werkt. In uw antwoorden op de eerder genoemde vragenset geeft u het volgende aan: “We zullen u hierbij ook informeren over de ontwikkeling van het aantal dierrechten in de Gelderse Vallei sinds de vaststelling van het Reconstructieplan.” Kunt u ons inmiddels inzicht in deze ontwikkeling verschaffen?

5. Uit een Nb-wet vergunning die is afgegeven op 15 juli 2009 aan een varkenshouderij aan de Rondweg 26 in Zegveld, blijkt dat er geen overzicht beschikbaar is van de huidige stikstofdepositie op kleine schaal. De mate waarin een bedrijf bijdraagt aan de stikstofdepositie op een specifiek gebied
is dan ook onduidelijk. Waarom worden er Nb-wet vergunningen verleend, terwijl de basis voor een berekening van eventuele negatieve gevolgen ontbreekt?

6. Een Nb-wet vergunning die is afgegeven op 25 september 2009 aan een melkvee- en varkenshouderbedrijf aan de Rondweg 52 in Zegveld, lijkt gebaseerd op het goedkeuren van ‘bestaand gebruik’. Het natuurgebied waar de stikstofdepositie door dit bedrijf terechtkomt, is echter volgens de vergunning reeds zwaar overbelast. Elke bijdrage aan de stikstofdepositie is daarom significant. De natuurbeschermingswet heeft als doel de belangen van de natuur te behartigen. Kunt u uitleggen waarom er in het kader van de natuurbeschermingswet een vergunning is afgegeven voor bestaand gebruik door dit bedrijf?

7. Op 7 september 2009 is een NB-wet vergunning afgegeven voor de uitbreiding van een Melkveehouderij in Wilnis, Gagelweg 8. Hierbij neemt de depositie door dit bedrijf op een nabijgelegen natuurgebied toe met 30%. Ook dit gebied is reeds onderhevig aan een stikstofdepositie van tweemaal de geoorloofde waarde. Deelt u de mening dat elke toename van stikstofdepositie op kwetsbare natuur ongeoorloofd is? Zo nee, waarom niet?

8. Uit een bericht uit het AD Groene Hart van 17-11-2009: ‘LTO praat weer mee over Groot Wilnis-Vinkeveen’, blijkt dat de Provincie in eerste instantie geweigerd heeft de bovengenoemde vergunning te verlenen, vanwege de verhoogde depositie op kwetsbare natuurgebieden. Ook een andere Nb-wet vergunning voor een veehouderijbedrijf in Wilnis is in eerste instantie geweigerd om dezelfde reden. Onder druk van LTO heeft de provincie de vergunningen uiteindelijk toch afgegeven. De basis voor het verlenen van de vergunningen vond daarom niet plaats in het kader van het veiligstellen van kwetsbare natuur, maar eerder in het kader van het veiligstellen van de ontwikkelingsperspectieven van de landbouwsector. Deelt u onze mening dat druk vanuit LTO geen rol mag spelen bij verlening van NB-wetvergunningen? Zo ja, welke rol heeft LTO vervuld in dit proces? Zo nee, waarom niet?

9. In laatstgenoemde Nb-wet vergunning is er sprake van het opkopen van land van stoppende veehouders uit de nabije omgeving. Het opkopen van land vindt echter successievelijk plaats binnen 5 jaar. De bedoeling is dat het uitbreiden van de veestapel gelijk op loopt met voorgenoemd proces. In de vergunning worden hier echter geen harde eisen aan gesteld. Daarbij worden aan uitbreiding zónder overname geen consequenties verbonden. Wij vinden dit onzorgvuldig. Bent u bereid deze vergunning om te zetten in een degelijke vergunning waarin u geen toestemming geeft voor toename van stikstofdepositie, en daarnaast nadere eisen stelt aan het stapsgewijs overnemen van land?

10. Bij het berekenen van de stikstofemissies en –depositie van dit bedrijf wordt uitgegaan van een grondgebonden, extensieve veehouderij. Er worden in de vergunning echter geen eisen gesteld aan het handhaven van deze vorm van extensieve bedrijfsvoering. Een eventuele omschakeling naar het opstallen van dieren in de toekomst zorgt voor aanzienlijk hogere emissies. Wij vinden dat de extensieve bedrijfsvoering als voorwaarde gesteld zou moeten worden voor de uitbreiding. Is het mogelijk om via de Nb-wet vergunningverlening eisen te stellen aan de bedrijfsvoering, om op deze wijze emissie-arme bedrijfsvoering te stimuleren?

11. Het laten weiden van de koeien heeft positieve effecten op het dierenwelzijn, op het landschap en op het reduceren van methaan- en stikstofemissie, dus op zowel klimaat als milieu. Omdat het opstallen van koeien leidt tot aanzienlijk hogere emissies dan wanneer zij geweid worden, lijkt het ons in het kader van het reduceren van de stikstofdepositie van groot belang dat weidegang zo vaak mogelijk en op zo veel mogelijk bedrijven plaatsvindt. Welke mogelijkheden zijn er binnen het ruimtelijk ordeningsinstrumentarium om de grondgebondenheid van de veehouderij te stimuleren?

12. Met het ingaan van de Crisis en Herstelwet krijgen de stikstofdeposities die per 7-12-2004 aanwezig waren automatisch bestaansrecht. Zoals te zien op onderstaand overzicht, lag de gemiddelde stikstofdepositie in 2004 ruim boven de 1.650 mol per hectare. Betekent deze wet dat de ambitie om in eerste instantie 20% en op termijn 95% van de natuur in Nederland veilig te stellen van de gevolgen door overmatige stikstofdeposities wordt opgegeven, en dat meer dan 80% van de Nederlandse natuur en daarmee de biodiversiteit ten onder zal gaan aan verzuring en verruiging?




13. Een kwantitatieve uitbreiding van de natuur wordt gerealiseerd door uitbreiding van de EHS.
Echter het waarborgen van de kwaliteit van de natuur, dat wil zeggen het waarborgen van een hoge biodiversiteit, lijkt in uw beleid weinig prioriteit te hebben gezien de ruimhartige afgifte van NB-wetvergunningen en de soepele regels voor uitbreiding van veehouderijen. Toch is biodiversiteit en variëteit in de natuur en landschappen een zeer belangrijke factor voor zowel het vormen van een robuust ecosysteem, het bieden van een habitat aan verschillende dier- en planten soorten en de aantrekkelijkheid voor recreanten. Kunt u aangeven welk specifiek beleid er is voor het in stand houden en vergroten van de biodiversiteit, en welke rol biodiversiteit heeft bij het ontwikkelen van de EHS?

14. Aangezien in 2010 zo’n 88% van de natuur onderhevig is aan te hoge stikstofdeposities, en de huidige landelijke en provinciale beleidskaders blijkbaar onvoldoende houvast bieden om hier verandering in te brengen en in sommige gevallen zelfs toename van de depositie toestaan, maken wij ons ernstig zorgen over de toekomst van de natuur. Kunt u aangeven welke maatregelen of beleidswijzigingen u voornemens bent om deze druk op kwetsbare natuur te doen afnemen?

Indiendatum: nov. 2009
Antwoorddatum: 19 jan. 2010

Onderwerp: Beantwoording schriftelijke Vragen ex Art. 47 van het Reglement van Orde Provincie Utrecht gesteld door mw. W. Bodewitz van de Partij voor de Dieren en mw. N. van Gemert (SP), betreffende maatregelen tegen overmatige stikstofdeposities op de natuur. (29 november 2009)



Beantwoording van schriftelijke vragen ex art. 47 van het RvO aan het College van GS, gesteld door
mw. W.A. Bodewitz (Partij voor de Dieren) en mw. N. van Gemert (SP), betreffende ‘Overmatige stikstofdeposities op natuur’. (29 november 2009)

Toelichting (Partij voor de Dieren en de Socialistische Partij)

Toelichting

In 2001 verscheen de kabinetsnota 'Een Wereld en een Wil: werken aan Duurzaamheid’ . Doel van dit plan was onder meer om een eind te maken aan het afwentelen van milieulasten op andere landen en de generaties na ons. Met de huidige manier van produceren en consumeren schuiven we nog steeds vaak de milieulasten door naar de toekomst, of kiezen voor ‘end of the pipe’ oplossingen die niets bijdragen aan verduurzaming.
In de toekomst wil men 95% van de natuur in Nederland veilig stellen van degradatie door overmatige stikstofdepositie. Hiervoor zal de depositie aanzienlijk moeten afnemen. Voor 2010 is als tussendoelstelling een stikstofdepositie van 1.650 mol per hectare vastgesteld.

Met deze waarde is 20 % van de Nederlandse natuur beschermd. Uit onderzoek blijkt echter dat de huidige depositie gemiddeld rond de 2000-2500 mol stikstof per hectare ligt. Dit betekent dat meer dan 80% van de Nederlandse natuur bedreigd wordt door een te hoge stikstofdepositie en degradeert.

Om dit te voorkomen hechten we grote waarde aan stringente maatregelen en duurzaam beleid wat betreft de stikstofdepositie. Omdat 72 % van de binnenlandse depositie van stikstof afkomstig is uit de agrarische sector valt hier met goed beleid en de juiste maatregelen de meeste winst te behalen.

Graag willen we in dit kader de volgende vragen aan u voorleggen:

1. In de antwoorden op de vragen die wij op 11 september 2008 indienden aan het college van Gedeputeerde Staten over de subsidie voor luchtwassers gaf u het volgende aan:
“Gedeputeerde Staten zullen in overleg met de Reconstructie na gaan of de oorspronkelijke voorwaarden in het subsidiekader AVP moeten worden opgenomen en zullen Provinciale Staten hierover informeren.” Kunt u ons berichten wat de stand van zaken is?

Antwoord:
Gedeputeerde Staten hebben aan de Reconstructiecommissie gevraagd om in het kader van de actualisatie van het Reconstructieplan Gelderse Vallei/Utrecht-Oost een advies te geven inzake het stellen van voorwaarden aan de subsidies voor emissiebeperkende maatregelen, zoals luchtwassers. ( zie statenbrief van 7 april 2009). Dit advies wordt eind januari 2010 verwacht.

2. Moderne technieken die ontworpen zijn om een stap verder te komen in de richting van duurzame productieprocessen worden vaak met een heel andere intentie ingezet. De behaalde milieuwinst door inzet van deze technieken wordt in veel gevallen tenietgedaan door het bieden van meer productieruimte. Sterker nog, het lijkt erop dat luchtwassers worden ingezet omwille van een uitbreiding. Deelt u onze mening dat de door moderne technieken behaalde milieuwinst in een overbelaste situatie niet (geheel of deels) teniet gedaan mag worden door uitbreiding van het bedrijf?

Antwoord:
Wij zijn van mening dat luchtwassers en andere emissiebeperkende maatregelen tot milieuwinst moeten leiden. Bij de beoordeling van de milieueffecten dient echter niet alleen naar de ontwikkeling op bedrijfsniveau gekeken te worden, maar ook naar de ontwikkeling op gebiedsniveau. Wanneer een bedrijf uitbreidt door dierrechten van een stoppend bedrijf uit het gebied over te nemen en tegelijk door emissiebeperkende maatregelen een lagere emissie per dier realiseert, dan is er per saldo op gebiedsniveau milieuwinst.

3. Niet alleen in ons land zorgt de intensieve veehouderijsector voor milieu- en duurzaamheidproblemen. De milieuproblemen in de landen waar productie van veevoer en winning van kunstmest plaatsvindt, zijn in ernst en omvang niet te vergelijken met ‘onze’ problematiek. Ontbossing en fosfaatwinning zorgen voor wereldbedreigende klimaatproblemen, biodiversiteitafname, erosie en uitputting. Waar men de milieuproblemen in Nederland te lijf gaat met luchtwassers en emissiearme stalsystemen, leggen de veel ernstiger milieuproblemen die zich buiten ons land voordoen geen gewicht in de schaal. Bent u met ons van mening dat bij het vergunnen van een uitbreiding niet alleen de regionale milieueffecten moeten worden gewogen, maar ook de problemen die een uitbreiding elders in de wereld tot gevolg heeft? Hoe zou hieraan vorm kunnen worden gegeven binnen de vergunningverlening?

Antwoord:
De vergunningverlening aan veebedrijven door gemeente of provincie (Milieuvergunning en/of Natuurbeschermingswetvergunning) biedt geen kader voor de afweging en aanpak van milieuproblemen elders in de wereld. Voor de aanpak van de door de vraagsteller geschetste problemen zoals ontbossing en fosfaatwinning zijn regelgeving in de landen waar deze problemen spelen nodig en eventueel regels of afspraken op rijks-, communautair of mondiaal niveau. Bijvoorbeeld afspraken in WTO verband over duurzaamheidseisen bij de productie en handel in hout en andere grondstoffen. De provincie is geen partij bij deze besprekingen.

4. Provinciale subsidie voor luchtwassers is uitsluitend mogelijk voor bedrijven in het reconstructiegebied. De huidige AVP- subsidie voor luchtwassers wordt in de praktijk meestal gebruikt als subsidie voor uitbreiding van de veestapel. Met het verdwijnen van (de gebiedsverdeling van) dierrechten, lijkt het ons aannemelijk dat deze subsidiemogelijkheid nieuwvestiging en uitbreiding van veehouderijen binnen het Reconstructiegebied in de hand werkt. In uw antwoorden op de eerder genoemde vragenset geeft u het volgende aan: “We zullen u hierbij ook informeren over de ontwikkeling van het aantal dierrechten in de Gelderse Vallei sinds de vaststelling van het Reconstructieplan.” Kunt u ons inmiddels inzicht in deze ontwikkeling verschaffen?

Antwoord:
De ontwikkeling van het aantal dierrechten in de Gelderse Vallei zal beschreven worden in het bij vraag 1 genoemde advies van de Reconstructiecommissie over de actualisatie van de reconstructie. Op een hoger aggregatieniveau is al wel gebleken dat er eerder sprake is van een verplaatsing van dierrechten vanuit Utrecht/Gelderland/Overijssel naar Brabant /Limburg dan andersom.

5. Uit een Nb-wet vergunning die is afgegeven op 15 juli 2009 aan een varkenshouderij aan de Rondweg 26 in Zegveld, blijkt dat er geen overzicht beschikbaar is van de huidige stikstofdepositie op kleine schaal. De mate waarin een bedrijf bijdraagt aan de stikstofdepositie op een specifiek gebied
is dan ook onduidelijk. Waarom worden er Nb-wet vergunningen verleend, terwijl de basis voor een berekening van eventuele negatieve gevolgen ontbreekt?

Antwoord:
De bijdrage van het bedrijf aan de N-depositie op het dichtstbijzijnde natuurgebied volgt uit de bij de vergunningaanvraag gevoegde gegevens. In de aangehaalde situatie betreft het veranderingen in de bedrijfsvoering, waardoor de depositie ten opzichte van een eerder Nbw-vergunde situatie afneemt. Op grond hiervan leidt de vergunningverlening in dit geval met zekerheid tot verbetering van de depositiesituatie.

6. Een Nb-wet vergunning die is afgegeven op 25 september 2009 aan een melkvee- en varkenshouderbedrijf aan de Rondweg 52 in Zegveld, lijkt gebaseerd op het goedkeuren van ‘bestaand gebruik’. Het natuurgebied waar de stikstofdepositie door dit bedrijf terechtkomt, is echter volgens de vergunning reeds zwaar overbelast. Elke bijdrage aan de stikstofdepositie is daarom significant. De natuurbeschermingswet heeft als doel de belangen van de natuur te behartigen. Kunt u uitleggen waarom er in het kader van de natuurbeschermingswet een vergunning is afgegeven voor bestaand gebruik door dit bedrijf?

Antwoord:
Het vergunningstelsel in de Natuurbeschermingswet heeft geen ruimere doelstelling dan het uitsluiten dat een activiteit hetzij direct leidt tot een (verdere) verslechtering van de conditie van het natuurgebied, hetzij herstel op langere termijn onmogelijk maakt. Structurele verbetering van de conditie van natuurgebieden moet bereikt worden via de maatregelen, die opgenomen zijn/worden in een beheerplan. De vraag of een bijdrage aan de stikstofdepositie significant is, moet tegen die achtergrond beantwoord worden. Algemene uitspraken over significantie van deposities, los van de gebiedsgebonden context, zijn wetenschappelijk zonder betekenis. De toegespitste overwegingen in het concrete geval maken deel uit van de motivering van de vergunning.

7. Op 7 september 2009 is een NB-wet vergunning afgegeven voor de uitbreiding van een Melkveehouderij in Wilnis, Gagelweg 8. Hierbij neemt de depositie door dit bedrijf op een nabijgelegen natuurgebied toe met 30%. Ook dit gebied is reeds onderhevig aan een stikstofdepositie van tweemaal de geoorloofde waarde. Deelt u de mening dat elke toename van stikstofdepositie op kwetsbare natuur ongeoorloofd is? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Bij het gebruik van percentages dient men de relevantie van het percentage niet uit het oog te verliezen. In het aangehaalde geval gaat het om een depositietoename van 2,22 naar 3,16 mol N/ha/jr als gevolg van het betrokken bedrijf op een natuurgebied, waar de totale depositie (gemiddeld) ruim boven 2500 mol N/ha/jr ligt (met een onzekerheidsmarge van vele tientallen molen). Aangezien voor de effecten op het natuurgebied de totale depositie maatgevend is, gaat het hier om een in alle opzichten marginale verandering van de belasting, in de orde van grootte van 0,1 % (de belasting door het bedrijf als geheel) tot 0,03 % (de verandering van de belasting). Op dit niveau zijn noch de belasting door het bedrijf als geheel, noch de verandering daarin te herleiden tot een concreet blijvend of zelfs tijdelijk ecologisch gevolg.

8. Uit een bericht uit het AD Groene Hart van 17-11-2009: ‘LTO praat weer mee over Groot Wilnis-Vinkeveen’, blijkt dat de Provincie in eerste instantie geweigerd heeft de bovengenoemde vergunning te verlenen, vanwege de verhoogde depositie op kwetsbare natuurgebieden. Ook een andere Nb-wet vergunning voor een veehouderijbedrijf in Wilnis is in eerste instantie geweigerd om dezelfde reden. Onder druk van LTO heeft de provincie de vergunningen uiteindelijk toch afgegeven. De basis voor het verlenen van de vergunningen vond daarom niet plaats in het kader van het veiligstellen van kwetsbare natuur, maar eerder in het kader van het veiligstellen van de ontwikkelingsperspectieven van de landbouwsector. Deelt u onze mening dat druk vanuit LTO geen rol mag spelen bij verlening van NB-wetvergunningen? Zo ja, welke rol heeft LTO vervuld in dit proces? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
De aangehaalde berichtgeving is op wezenlijke punten onjuist. De vergunningen zijn op geen enkel moment geweigerd en LTO is niet betrokken geweest bij het proces van vergunningverlening. Gedeputeerde Staten maken daarbij hun eigen afwegingen, die verwoord zijn in de motivering van de vergunning.

9. In laatstgenoemde Nb-wet vergunning is er sprake van het opkopen van land van stoppende veehouders uit de nabije omgeving. Het opkopen van land vindt echter successievelijk plaats binnen 5 jaar. De bedoeling is dat het uitbreiden van de veestapel gelijk op loopt met voorgenoemd proces. In de vergunning worden hier echter geen harde eisen aan gesteld. Daarbij worden aan uitbreiding zónder overname geen consequenties verbonden. Wij vinden dit onzorgvuldig. Bent u bereid deze vergunning om te zetten in een degelijke vergunning waarin u geen toestemming geeft voor toename van stikstofdepositie, en daarnaast nadere eisen stelt aan het stapsgewijs overnemen van land?

Antwoord:
In de directe omgeving van het bedrijf bevinden zich verschillende melkveehouderijen met 55+ eigenaren zonder bedrijfsopvolger, die binnen 5 tot 10 jaar hun bedrijf zullen beëindigen en verkopen. Een deel van de vrijkomende gronden zal door de provincie gebruikt worden voor natuurontwikkeling en de rest komt beschikbaar voor andere veebedrijven. Dit is een autonoom ontwikkelingsproces, dat op het betrokken bedrijf gepaard gaat met uitbreiding van de veestapel op basis van natuurlijke aanwas parallel aan de beschikbaarheid van grond en een overeenkomstige afname van de veestapel op de stoppende bedrijven.
De Nbw-vergunning is verleend op basis van deze in de aanvraag beschreven (ontwikkeling van de) bedrijfsvoering. Indien deze bedrijfsvoering zo veranderd wordt, dat de ammoniakdepositie op de natuurgebieden toeneemt, verlaat men de grondslag van de vergunning en is een nieuwe vergunning nodig voor de gewijzigde situatie. Indien de wijziging zonder meer – dus zonder nieuwe vergunningaanvraag- doorgevoerd wordt, treedt men buiten het kader van de vergunning en ontstaat een handhavingssituatie.

10. Bij het berekenen van de stikstofemissies en –depositie van dit bedrijf wordt uitgegaan van een grondgebonden, extensieve veehouderij. Er worden in de vergunning echter geen eisen gesteld aan het handhaven van deze vorm van extensieve bedrijfsvoering. Een eventuele omschakeling naar het opstallen van dieren in de toekomst zorgt voor aanzienlijk hogere emissies. Wij vinden dat de extensieve bedrijfsvoering als voorwaarde gesteld zou moeten worden voor de uitbreiding. Is het mogelijk om via de Nb-wet vergunningverlening eisen te stellen aan de bedrijfsvoering, om op deze wijze emissie-arme bedrijfsvoering te stimuleren?

Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 9.

11. Het laten weiden van de koeien heeft positieve effecten op het dierenwelzijn, op het landschap en op het reduceren van methaan- en stikstofemissie, dus op zowel klimaat als milieu. Omdat het opstallen van koeien leidt tot aanzienlijk hogere emissies dan wanneer zij geweid worden, lijkt het ons in het kader van het reduceren van de stikstofdepositie van groot belang dat weidegang zo vaak mogelijk en op zo veel mogelijk bedrijven plaatsvindt. Welke mogelijkheden zijn er binnen het ruimtelijk ordeningsinstrumentarium om de grondgebondenheid van de veehouderij te stimuleren?

Antwoord:
Het instrumentarium van de ruimtelijke ordening biedt wel mogelijkheden om onderscheid te maken in vestigingsmogelijkheden tussen grondgebonden veehouderij en intensieve veehouderij. Het ruimtelijk ordeningsinstrumentarium biedt echter geen mogelijkheid om aan grondgebonden veehouderijen weidegang op te leggen.

12. Met het ingaan van de Crisis en Herstelwet krijgen de stikstofdeposities die per 7-12-2004 aanwezig waren automatisch bestaansrecht. Zoals te zien op onderstaand overzicht, lag de gemiddelde stikstofdepositie in 2004 ruim boven de 1.650 mol per hectare. Betekent deze wet dat de ambitie om in eerste instantie 20% en op termijn 95% van de natuur in Nederland veilig te stellen van de gevolgen door overmatige stikstofdeposities wordt opgegeven, en dat meer dan 80% van de Nederlandse natuur en daarmee de biodiversiteit ten onder zal gaan aan verzuring en verruiging?

Antwoord:
De ambitie om te komen tot een forse reductie van de stikstofdepositie wordt niet opgegeven.
Zoals uit het door de vraagsteller bij vraag 12 gepresenteerde overzicht blijkt, is de stikstofdepositie sinds 1987/88 reeds met 30 tot 40 % gedaald. Een verdere daling met 40-50 % van met name de ammoniakdepositie uit de intensieve veehouderij zal het gevolg zijn van de implementatie van de AmvB Huisvesting, die voorzien is per 1-1 2013. Voor rundveebedrijven zijn op landelijk niveau emissiearme staltypen in ontwikkeling. Daarnaast heeft de minister van LNV aangekondigd, dat in 2010 een landelijke programmatische aanpak stikstofemissies (PAS) ontwikkeld zal worden (wettelijk gefundeerd in de Crisis- en herstelwet). Deze PAS is gericht op generieke reductie van stikstofemissies uit landbouw, verkeer en industrie. In de PAS zullen ook de stikstofparagrafen uit de beheerplannen voor de Natura2000-gebieden geïntegreerd worden.

13. Een kwantitatieve uitbreiding van de natuur wordt gerealiseerd door uitbreiding van de EHS.
Echter het waarborgen van de kwaliteit van de natuur, dat wil zeggen het waarborgen van een hoge biodiversiteit, lijkt in uw beleid weinig prioriteit te hebben gezien de ruimhartige afgifte van NB-wetvergunningen en de soepele regels voor uitbreiding van veehouderijen. Toch is biodiversiteit en variëteit in de natuur en landschappen een zeer belangrijke factor voor zowel het vormen van een robuust ecosysteem, het bieden van een habitat aan verschillende dier- en planten soorten en de aantrekkelijkheid voor recreanten. Kunt u aangeven welk specifiek beleid er is voor het in stand houden en vergroten van de biodiversiteit, en welke rol biodiversiteit heeft bij het ontwikkelen van de EHS?

Antwoord:
De provincie Utrecht voert al jaren lang beleid dat bijdraagt aan het behoud en herstel van biodiversiteit. In het Beleidsplan Natuur en Landschap uit 1992 werd dat omschreven als “het in stand houden, herstellen en ontwikkelen van een zo natuurlijk mogelijke verscheidenheid aan in het wild levende planten- en diersoorten als elementen van ecosystemen” Die verscheidenheid, die synoniem is met “biodiversiteit”, wordt onder meer in stand gehouden en verbeterd door het realiseren van de Ecologische Hoofdstructuur en het uitvoeren van soortenbeleid (tegenwoordig “de Leefgebiedenbenadering”). Daarnaast wordt er ook in andere beleidsvelden bijgedragen aan behoud en herstel van biodiversiteit, bijvoorbeeld door het verbeteren van de milieu- en watercondities als onderdelen van de leefgebieden van soorten. Van een ruimhartige afgifte van Natuurbeschermingswet-vergunningen is geen sprake.

14. Aangezien in 2010 zo’n 88% van de natuur onderhevig is aan te hoge stikstofdeposities, en de huidige landelijke en provinciale beleidskaders blijkbaar onvoldoende houvast bieden om hier verandering in te brengen en in sommige gevallen zelfs toename van de depositie toestaan, maken wij ons ernstig zorgen over de toekomst van de natuur. Kunt u aangeven welke maatregelen of beleidswijzigingen u voornemens bent om deze druk op kwetsbare natuur te doen afnemen?

Antwoord:
Zie beantwoording vraag 12.


Gedeputeerde Staten van Utrecht,



Voorzitter,



Secretaris,


http://www.postbus51.nl/nl/home/themas/natuur-en-milieu

http://www.postbus51.nl/nl/home/publicaties/natuur-en-milieu/milieubeleid/algemene-informatie-milieubeleid/een-wereld-en-een-wil-werken-aan-duurzaamheid.html

http://www.milieuennatuurcompendium.nl/indicatoren/nl0189-Vermestende-depositie.html?i=14-66

http://www.milieuennatuurcompendium.nl/indicatoren/nl0507-Herkomst-vermestende-depositie.html?i=14-66

http://www.rboi.nl/uploads/Actueel/Downloads/04-09ToetsAandachtspunt.pdf

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer