Vragen over sluiting van de jacht in verband met kou voor speci­fieke dier­soorten


Indiendatum: jan. 2010

Onderwerp: Schriftelijke vragen ex art. 47 van het RvO aan het College van GS, gesteld door Wanda Bodewitz, Partij voor de Dieren, betreffende de sluiting van de jacht in verband met kou voor specifieke diersoorten.


Toelichting
De afgelopen weken stonden in het teken van ijzig winterweer: Strenge vorst, een bijna volledige sneeuwbedekking en ijsbedekking van open wateren. Dieren kunnen hierdoor hun voedsel moeilijk bereiken met uitputting als gevolg. Op 11 januari is dan ook door de provincie besloten de jacht op wild en provinciale schadesoorten tijdelijk op te schorten. Vossen en reeën mogen echter nog wél bejaagd worden.

Het schieten op dieren treft niet alleen die diersoorten waarop de jager het oog heeft, maar ook allerlei andere diersoorten die door de jacht worden opgeschrikt. Zij verliezen hierdoor hun schuilplaats en verbruiken onnodig energie die zij onder deze omstandigheden hard nodig hebben om hun lichaamswarmte op peil te houden.
Daarom achten we een algeheel jachtverbod noodzakelijk tot enkele weken na de vorstperiode, totdat de dieren weer volledig gebruik kunnen maken van hun voedselbronnen en hersteld zijn van uitputting.

Graag willen we u hierover een aantal vragen voorleggen. Wij verzoeken u vriendelijk om de vragen in verband met de urgentie zo spoedig mogelijk te beantwoorden.


1. Zijn er naast vossen en reeën nog andere diersoorten waarop gejaagd mag worden, of die bestreden mogen worden in het kader van beheer en schadebestrijding?

2. Omdat de jacht op bovengenoemde diersoorten de kwetsbare diersoorten die in staat van uitputting verkeren verontrusten, zou ons inziens het jachtverbod niet uitsluitend voor specifieke diersoorten moeten worden gehanteerd, maar voor álle diersoorten. Waarom geldt het jachtverbod niet op bovengenoemde diersoorten?

3. Door welke instanties bent u op de hoogte gebracht van de toestand waarin de populaties van bovengenoemde diersoorten zich momenteel verkeren? Kunt u specificeren wat de inhoud van het advies is dat zij uitbrachten? Indien u alleen overleg gepleegd heeft met faunabeheerders: waarom heeft u niet breder advies ingewonnen (bijvoorbeeld bij natuurorganisaties)?

4. Bent u bereid de jacht op vossen, reeën en overige diersoorten in de provincie Utrecht alsnog stil te leggen? Zo ja, op welke termijn? Zo neen, waarom niet?

5. Hoe waarborgt u op dit moment dat jagers en andere betrokkenen volledig op de hoogte zijn van de sluiting van de jacht?

6. Ons inziens zou een tijdelijke opschorting van de jacht een vaste periode moeten kennen in de winter, omdat er bijna elke winter sprake is van een periode dat vorst, sneeuw en ijs het land beheerst. Het huidige beleid ‘om het van dag tot dag te bekijken’ schept ons inziens verwarring ten aanzien van de jagers; des te meer omdat elke provincie een ander draaiboek hanteert, en andere diersoorten hiervoor in aanmerking neemt. Is het juridisch mogelijk om een vaste periode in de winter te bepalen waarin jacht, beheer en schadebestrijding wordt opgeschort voor een aantal diersoorten? Hoe staat u tegenover dit idee?

7. De eerste Nederlandse officiële toertocht op natuurijs is in de provincie Utrecht gehouden (nl. in Woudenberg op het Henschotermeer op 6 januari). De winterse omstandigheden waren hier blijkbaar dusdanig dat zelfs een toertocht op natuurijs verantwoord was. De provincie Utrecht heeft in vergelijking met andere provincies pas laat de beslissing genomen om de jacht in verband met de kou op te schorten. Van waaruit verklaart u deze terughoudendheid?

8. Zou het beleidsmatig een verbetering zijn om het stilleggen van de jacht op landelijk niveau te regelen, zodat er minder onduidelijkheid heerst ten aanzien van de sluitingsdata van de jacht en er geen jachttoerisme binnen Nederland plaatsvindt en de afwachtendheid van provincies geen belemmering meer hoeft te vormen? Zo ja, bent u bereid hiervoor aandacht te vragen bij het rijk?

9. Naast het koudegetal wordt door de provincie het dichtvriezen van open wateren, sloten en kanalen als criterium gesteld voor het stopzetten van de jacht (ijsbedekking meer dan 50 % gedurende min. 10 dagen). Welke middelen en gegevens worden gebruikt om het dichtvriezen van de wateren in de gaten te houden? Hoe vindt de 50 % berekening plaats? Op welke locaties vindt de monitoring plaats en door wie?

10. In de Flora- en Faunawet staat dat het verboden is te jagen indien de grond bedekt is met sneeuw. In uw Beleidsnota Flora en Faunawet hanteert u o.a. het criterium: een sneeuwbedekking van meer dan 90% en langer dan 10 dagen achtereen. Hoe verantwoordt u het verschil tussen uw eigen beleid en de wetgeving van de Flora en Faunawet? Mag daar discrepantie tussen zitten en kunt u dit toelichten? Hoe wordt de 90% sneeuwbedekking berekend?

11. Voedselproblemen door kou verschillen per diersoort, per habitat en per locatie. Problemen kunnen zich daardoor zeer lokaal voordoen. Het is voor te stellen dat de mogelijkheid tot migratie van dieren van gebieden waar zich tijdelijk voedselproblemen voordoen, bijvoorbeeld in verband met dichtvriezen van wateren, sterk afneemt vanwege uitputting. Het stopzetten van de jacht zou ons inziens daarom ook niet gebaseerd moeten zijn op criteria die gelden voor de gehele provincie, maar op criteria die zich lokaal voordoen. Is het mogelijk om de criteria zoals nu opgenomen in het draaiboek winterse omstandigheden, op gemeentelijk niveau te monitoren, en indien in bijvoorbeeld 30% van de gemeenten de criteria van toepassing zijn, over te gaan tot sluiting van de jacht? Zo nee, waarom niet?

Indiendatum: jan. 2010
Antwoorddatum: 16 feb. 2010

Onderwerp: Beantwoording schriftelijke vragen ex art. 47 van het Reglement van Orde aan het College van GS, gesteld door W. Bodewitz, Partij voor de Dieren, betreffende de sluiting van de jacht in verband met kou voor specifieke diersoorten (17 januari 2010).

Hierbij de beantwoording van de schriftelijke vragen d.d. 17 januari 2010, van het Statenlid W. Bodewitz van Partij voor de Dieren, volgens artikel 47 Reglement van Orde Provincie Utrecht betreffende de sluiting van de jacht in verband met kou voor specifieke diersoorten.

Toelichting (Partij voor de dieren)

Toelichting
De afgelopen weken stonden in het teken van ijzig winterweer: Strenge vorst, een bijna volledige sneeuwbedekking en ijsbedekking van open wateren. Dieren kunnen hierdoor hun voedsel moeilijk bereiken met uitputting als gevolg. Op 11 januari is dan ook door de provincie besloten de jacht op wild en provinciale schadesoorten tijdelijk op te schorten. Vossen en reeën mogen echter nog wél bejaagd worden.

Het schieten op dieren treft niet alleen die diersoorten waarop de jager het oog heeft, maar ook allerlei andere diersoorten die door de jacht worden opgeschrikt. Zij verliezen hierdoor hun schuilplaats en verbruiken onnodig energie die zij onder deze omstandigheden hard nodig hebben om hun lichaamswarmte op peil te houden.
Daarom achten we een algeheel jachtverbod noodzakelijk tot enkele weken na de vorstperiode, totdat de dieren weer volledig gebruik kunnen maken van hun voedselbronnen en hersteld zijn van uitputting.


Graag willen we u hierover een aantal vragen voorleggen. Wij verzoeken u vriendelijk om de vragen in verband met de urgentie zo spoedig mogelijk te beantwoorden.

1. Zijn er naast vossen en reeën nog andere diersoorten waarop gejaagd mag worden, of die bestreden mogen worden in het kader van beheer en schadebestrijding?

Antwoord:
De jacht was in zijn geheel gesloten. Beheer en schadebestrijding was, naast de Vos en het Ree nog mogelijk ten aanzien van de landelijk vrijgestelde soorten Canadese gans, Houtduif, Konijn, Kauw en Zwarte Kraai. Ten aanzien van deze soorten zijn wij niet bevoegd de schadebestrijding op te schorten. Ook was het provinciale aanwijzingsbesluit ten aanzien van verwilderde duif en – kat, Muskus- en Beverrat en Ree nog van toepassing.

2. Omdat de jacht op bovengenoemde diersoorten de kwetsbare diersoorten die in staat van uitputting verkeren verontrusten, zou ons inziens het jachtverbod niet uitsluitend voor specifieke diersoorten moeten worden gehanteerd, maar voor álle diersoorten. Waarom geldt het jachtverbod niet op bovengenoemde diersoorten?

Antwoord:
Zoals aangegeven gold het jachtverbod voor alle soorten waarop de jacht nog was opengesteld. Alleen voor wat betreft beheer en schadebestrijding is een uitzondering gemaakt voor bepaalde diersoorten.

Reeën zijn minder gevoelig voor weersomstandigheden dan andere soorten en kunnen ook bij sneeuwbedekking meestal nog aan voedsel komen. Daarnaast vindt het gebruik van de ontheffing voor deze soort over het algemeen plaats via de aanzitmethode. Hierbij wordt meestal slechts één schot gelost. Hiervan gaat veel minder verstoring uit dan bij andere vormen van jacht.

Wat de Vos betreft wordt opgemerkt dat voor deze soort een landelijke vrijstelling geldt. Wij zijn niet bevoegd deze op te schorten. Daarnaast gelden er nog ontheffingen voor het gebruik van kunstlicht. Ook voor de Vos geldt dat er vanwege de gebruikte methode weinig verstoring uitgaat van de schadebestrijding.

3. Door welke instanties bent u op de hoogte gebracht van de toestand waarin de populaties van bovengenoemde diersoorten zich momenteel verkeren? Kunt u specificeren wat de inhoud van het advies is dat zij uitbrachten? Indien u alleen overleg gepleegd heeft met faunabeheerders: waarom heeft u niet breder advies ingewonnen (bijvoorbeeld bij natuurorganisaties)?

Antwoord:
Er is advies ingewonnen bij de Faunabeheereenheid. Hierin zijn ook de terreinbeherende organisaties, zoals Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten vertegenwoordigd. Ook is er advies gevraagd aan het Faunafonds. Het Faunafonds bevat ook leden uit de hoek van de natuurbescherming en de wetenschap (dier-ecologie). Daarnaast hebben ook ecologen van de provincie advies uitgebracht. Uw stelling dat er alleen advies zou zijn uitgebracht door ‘faunabeheerders’ is dan ook onjuist.

De adviezen waren positief. Het Faunafonds achtte de opschorting van de provinciale vrijstelling voor verstoring niet noodzakelijk. Wij waren echter van mening dat dit laatste wel wenselijk was vanwege de mogelijke verstoring van andere diersoorten.

4. Bent u bereid de jacht op vossen, reeën en overige diersoorten in de provincie Utrecht alsnog stil te leggen? Zo ja, op welke termijn? Zo neen, waarom niet?

Antwoord:
Nee, zoals hierboven aangegeven achten wij de noodzaak hiertoe niet aanwezig.

5. Hoe waarborgt u op dit moment dat jagers en andere betrokkenen volledig op de hoogte zijn van de sluiting van de jacht?

Antwoord:
Het besluit wordt per omgaande medegedeeld aan de Faunabeheereenheid die op haar beurt de wildbeheereenheden informeert. De overige ontheffinghouders worden telefonisch of bij e-mailbericht op de hoogte gesteld. Daarnaast wordt er een persbericht uitgegeven, een bericht in een dagblad geplaatst en is het besluit terug te vinden op de provinciale website.

6. Ons inziens zou een tijdelijke opschorting van de jacht een vaste periode moeten kennen in de winter, omdat er bijna elke winter sprake is van een periode dat vorst, sneeuw en ijs het land beheerst. Het huidige beleid ‘om het van dag tot dag te bekijken’ schept ons inziens verwarring ten aanzien van de jagers; des te meer omdat elke provincie een ander draaiboek hanteert, en andere diersoorten hiervoor in aanmerking neemt. Is het juridisch mogelijk om een vaste periode in de winter te bepalen waarin jacht, beheer en schadebestrijding wordt opgeschort voor een aantal diersoorten? Hoe staat u tegenover dit idee?

Antwoord:
Dat er bijna elke winter sprake is van een periode dat vorst, sneeuw en ijs het land beheerst is onjuist. De afgelopen jaren (met uitzondering van een korte periode vorige winter) was er meestal sprake van zachte winters en bestond er geen noodzaak de jacht te sluiten en de schadebestrijding op te schorten.

De jagers worden, zoals bij het antwoord op de vorige vraag reeds aangegeven, op de hoogte gesteld van het besluit. We hebben geen aanwijzingen dat het besluit tot veel verwarring bij jagers heeft geleid.

Het is juist dat de criteria per provincie verschillen. Elke provincie heeft de bevoegdheid haar eigen beleid te hanteren. Ook kan er sprake zijn van een verschil in de weersomstandigheden per provincie. Het beleid van de provincie is verwoord in het Draaiboek bijzondere weersomstandigheden provincie Utrecht (hierna het Draaiboek) welke, als onderdeel van de provinciale beleidsnota is vastgesteld door Provinciale Staten. Er is geen aanleiding om dit beleid te herzien.

7. De eerste Nederlandse officiële toertocht op natuurijs is in de provincie Utrecht gehouden (nl. in Woudenberg op het Henschotermeer op 6 januari). De winterse omstandigheden waren hier blijkbaar dusdanig dat zelfs een toertocht op natuurijs verantwoord was. De provincie Utrecht heeft in vergelijking met andere provincies pas laat de beslissing genomen om de jacht in verband met de kou op te schorten. Van waaruit verklaart u deze terughoudendheid?

Antwoord:
Wij hebben ons gehouden aan de criteria uit het draaiboek. Één van deze criteria is een ijsbedekking op open water, sloten en kanalen van meer dan 50 procent gedurende een periode langer dan 10 dagen. Op 6 januari was hiervan nog geen sprake. Onder meer vanwege verschillen in winterse weersomstandigheden tussen de provincies kan de periode van sluiten en opschorten verschillen vertonen.

8. Zou het beleidsmatig een verbetering zijn om het stilleggen van de jacht op landelijk niveau te regelen, zodat er minder onduidelijkheid heerst ten aanzien van de sluitingsdata van de jacht en er geen jachttoerisme binnen Nederland plaatsvindt en de afwachtendheid van provincies geen belemmering meer hoeft te vormen? Zo ja, bent u bereid hiervoor aandacht te vragen bij het rijk?

Antwoord:
Zoals aangegeven kunnen de weersomstandigheden per provincie behoorlijk verschillen. Het ligt dan ook niet voor de hand om voor het hele land één datum te prikken. Wel zijn wij bereid om dit onderwerp in het IPO-overleg aan de orde te stellen om te proberen het beleid van de verschillende provincies meer op elkaar af te stemmen.

9. Naast het koudegetal wordt door de provincie het dichtvriezen van open wateren, sloten en kanalen als criterium gesteld voor het stopzetten van de jacht (ijsbedekking meer dan 50 % gedurende min. 10 dagen). Welke middelen en gegevens worden gebruikt om het dichtvriezen van de wateren in de gaten te houden? Hoe vindt de 50 % berekening plaats? Op welke locaties vindt de monitoring plaats en door wie?

Antwoord:
Monitoring vindt plaats op basis van de persoonlijke waarnemingen van verschillende provinciemedewerkers op diverse plaatsen binnen de provincie.

10. In de Flora- en Faunawet staat dat het verboden is te jagen indien de grond bedekt is met sneeuw. In uw Beleidsnota Flora en Faunawet hanteert u o.a. het criterium: een sneeuwbedekking van meer dan 90% en langer dan 10 dagen achtereen. Hoe verantwoordt u het verschil tussen uw eigen beleid en de wetgeving van de Flora en Faunawet? Mag daar discrepantie tussen zitten en kunt u dit toelichten? Hoe wordt de 90% sneeuwbedekking berekend?

Antwoord:
De wet (artikel 53) heeft alleen betrekking op jacht. Dit verbod is in de wet opgenomen om te voorkomen dat er wordt gejaagd door middel van het volgen van sporen in de sneeuw. Voor jacht in het kader van beheer- en schadebestrijding is echter een uitzondering op het verbod gemaakt (artikel 15 Jachtbesluit). Het opschorten van de schadebestrijding door de provincie in verband met het sneeuwdek is met name gebaseerd op de verslechterde voedselsituatie en het risico van een verslechterende conditie van de dieren. Gelet op het bovenstaande is er geen sprake van een discrepantie.

De sneeuwbedekking wordt bepaald op basis van de persoonlijke waarnemingen van verschillende provinciemedewerkers en de gegevens van het KNMI

11. Voedselproblemen door kou verschillen per diersoort, per habitat en per locatie. Problemen kunnen zich daardoor zeer lokaal voordoen. Het is voor te stellen dat de mogelijkheid tot migratie van dieren van gebieden waar zich tijdelijk voedselproblemen voordoen, bijvoorbeeld in verband met dichtvriezen van wateren, sterk afneemt vanwege uitputting. Het stopzetten van de jacht zou ons inziens daarom ook niet gebaseerd moeten zijn op criteria die gelden voor de gehele provincie, maar op criteria die zich lokaal voordoen. Is het mogelijk om de criteria zoals nu opgenomen in het draaiboek winterse omstandigheden, op gemeentelijk niveau te monitoren, en indien in bijvoorbeeld 30% van de gemeenten de criteria van toepassing zijn, over te gaan tot sluiting van de jacht? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Over het algemeen zijn er, mede vanwege de geringe grootte van onze provincie, geen grote verschillen in de weersomstandigheden per gemeente. Gelet hierop achten wij het niet noodzakelijk om de weersomstandigheden op gemeentelijk niveau te monitoren. Het beleid zoals verwoord in het Draaiboek is op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Wij zien geen aanleiding dit beleid te herzien.


Gedeputeerde Staten van Utrecht,



Voorzitter,



Secretaris,

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer