Vragen over vogel­griep - vervolg


Indiendatum: mrt. 2015

Geacht college van Gedeputeerde Staten,

Toelichting

Op 10 maart heeft u in uw antwoorden op onze vragen over het stimuleren van biologische pluimveebedrijven ter voorkoming van de vogelgriep geantwoord dat u het niet met ons eens bent dat intensieve pluimveebedrijven een verhoogd risico vormen voor het uitbreken van vogelgriep.

Er zijn echter veel gezaghebbende bronnen die duidelijk aantonen dat de intensieve pluimveehouderij een letterlijk ziekmakend systeem is, en dat we aan dat systeem zelf iets zullen moeten veranderen om het risico op vogelgriep te verminderen. Zo werd tijdens het Studium Generale van Wageningen Universiteit in oktober 2005 door prof. Rob Goldbach van de leerstoelgroep Virologie gezegd: “Anders dan wilde dieren, die voortdurend blootstaan aan virussen zonder dat ze dreigen uit te sterven, leggen dieren in de intensieve veehouderij massaal het loodje als er zich weer een pathogeen aandient. Misschien moeten ze meer in contact komen met de natuur, zodat hun immuunsysteem meer prikkels krijgt om zich te ontwikkelen. Misschien moeten we gewoon af van het systeem van onze intensieve veehouderij.”

En veterinaire epidemioloog Professor Mart de Jong zei op dezelfde bijeenkomst: “Het contact tussen de bedrijven is zo intensief, de dichtheid van de kippen zo hoog, dat als het virus hier op één bedrijf opduikt de hele vallei is afgeschreven. Dat is het gevolg van de hoge dichtheden in de sector. Daar zit het probleem. Daar moeten we op termijn iets aan gaan doen.”

Tevens zijn er aanwijzingen dat wilde vogels, die zelf overigens niet ziek worden van een besmetting, het virus niet hier hebben gebracht, maar het juist oplopen in ons land.[1]

Graag willen we u in vervolg op het bovenstaande een aantal vragen voorleggen:

1. Hoe kijkt het college aan tegen bovenstaande uitingen waarin wordt gesteld dat kippen in de intensieve pluimveesector door de manier waarop het systeem is vormgegeven vatbaarder zijn voor vogelgriep?

De Dierenbescherming stelde onlangs in het rapport “Diervriendelijker aanpak vogelgriep” dat maatregen om de weerstand van kippen te verhogen noodzakelijk zijn om een uitbraak van vogelgriep tegen te gaan. Zo pleit de Dierenbescherming voor een ander fokbeleid waarbij ingezet wordt op robuustere en gezondere kippenrassen en het voorkomen van chronische stress door de leefomgeving zodanig aan te passen dat aan de natuurlijke behoeften van de dieren wordt voldaan.[2]

2. Bent u bereid om er bij het Rijk op aan te dringen dat maatregelen die de weerstand van pluimvee kunnen vergroten gestimuleerd worden?

Namens de Partij voor de Dieren en hoogachtend,

Willem van der Steeg

[1] https://www.knaw.nl/nl/actueel/nieuws/onderzoek-aan-wilde-eenden-laat-zien-trekvogels-brengen-geen-vogelgriep-maar-krijgen-het-hier

[2] https://www.dierenbescherming.nl/userfiles/pdf/Notas/20150210_Dierenbeschermingsnota _diervriendelijker_aanpak_vogelgriep.pdf

Indiendatum: mrt. 2015
Antwoorddatum: 1 jan. 1970

Toelichting:

Op 10 maart heeft u in uw antwoorden op onze vragen over het stimuleren van biologische pluimveebedrijven ter voorkoming van de vogelgriep geantwoord dat u het niet met ons eens bent dat intensieve pluimveebedrijven een verhoogd risico vormen voor het uitbreken van vogelgriep. Er zijn echter veel gezaghebbende bronnen die duidelijk aantonen dat de intensieve pluimveehouderij een letterlijk ziekmakend systeem is, en dat we aan dat systeem zelf iets zullen moeten veranderen om het risico op vogelgriep te verminderen. Zo werd tijdens het Studium Generale van Wageningen Universiteit in oktober 2005 door prof. Rob Goldbach van de leerstoelgroep Virologie gezegd: "Anders dan wilde dieren, die voortdurend blootstaan aan virussen zonder dat ze dreigen uit te sterven, leggen dieren in de intensieve veehouderij massaal het loodje als er zich weer een pathogeen aandient. Misschien moeten ze meer in contact komen met de natuur, zodat hun immuunsysteem meer prikkels krijgt om zich te ontwikkelen. Misschien moeten we gewoon af van het systeem van onze intensieve veehouderij."

En veterinaire epidemioloog Professor Mart de Jong zei op dezelfde bijeenkomst: "Het contact tussen de bedrijven is zo intensief, de dichtheid van de kippen zo hoog, dat als het virus hier op één bedrijf opduikt de hele vallei is afgeschreven. Dat is het gevolg van de hoge dichtheden in de sector. Daar zit het probleem. Daar moeten we op termijn iets aan gaan doen."

Tevens zijn er aanwijzingen dat wilde vogels, die zelf overigens niet ziek worden van een besmetting, het virus niet hier hebben gebracht, maar het juist oplopen in ons land.[1]

ln overeenstemming met arlikel 47 RvO ontvangt u hierbij onze reactie op uw vragen:

1. Hoe kijkt het college aan tegen bovenstaande uitingen waarin wordt gesteld dat kippen in de intensieve pluimveesector door de manier waarop het systeem is vormgegeven vatbaarder zijn voor vogelgriep?

Antwoord: Het voorkómen van uitbraken van vogelgriep heeft hoge prioriteit bij de pluimveesector en de overheid. Er zijn verschillende zoekrichtingen om de risico's op vogelgriep te beperken, waaronder het treffen bedrijfshygiënische maatregelen, vaccinatie en het verhogen van de natuurlijke weerstand. Elk van deze zoekrichtingen heeft voordelen en nadelen. ln bovenstaande toelichting wordt gepleit om het immuunsysteem van kippen te versterken door ze via buitenuitloop meer ¡n contact met de natuur te laten komen. ln de praktijk blijkt echter dat bij biologische en vrije uitloopkippen de verwerving van immuniteit en natuurlijke weerstand slechts in zeer beperkte mate bescherming oplevert tegen vogelgriep. Dit komt onder andere doordat vogelgriep een zeer variabel virus is. Wanneer biologische of vrije uitloopkippen blootgesteld worden aan een vogelgriepvirus worden ze net als andere kippen ook ziek, en in het geval van een hoogpathogeen virus gaan ze dood.

Wij zijn van mening dat er bij de preventie en bestrijding van vogelgriep meerdere strategieën mogelijk zijn en dat niet op voorhand één van deze strategieën als de enige juiste kan worden aangewezen.

Wat betreft de opmerking in bovenstaande toelichting over hoge dichtheden van kippenbedrijven, verwijzen wij u naar onze beantwoording van uw eerdere vragen van 16 februari, waarin wij ingaan op de beperkte vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden voor niet-grondgebonden veehouderij in onze Provinciale Ruimtelijke Verordening. ln Utrecht neemt de dichtheid van pluimveebedrijven af. Tussen 2007 en 2014 is het aantal pluimveebedrijven in Utrecht gedaald van 118 naar 99.

De Dierenbescherming stelde onlangs in het rapport "Diervriendelijker aanpak vogelgriep" dat maatregen om de weerstand van kippen te verhogen noodzakelijk zijn om een uitbraak van vogelgriep tegen te gaan. Zo pleit de Dierenbescherming voor een ander fokbeleid waarbij ingezet wordt op robuustere en gezondere kippenrassen en het voorkomen van chronische stress door de leefomgeving zodanig aan te passen dat aan de natuurlijke behoeften van de dieren wordt voldaan.[2]

2. Bent u bereid om er bij het Rijk op aan te dringen dat maatregelen die de weerstand van pluimvee kunnen vergroten gestimuleerd worden?

Antwoord: Zoals in het antwoord op de vorige vraag al aangegeven, heeft de preventie en de bestrijding van vogelgriep al hoge prioriteit bij de pluimveesector en de overheid. Daarbij krijgt ook het thema Natuurlijke Weerstand de nodige aandacht en is onder andere opgenomen de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij van het Rijk en de Veehouderijsector. Wij vinden het daarom niet nodig dit thema onder de aandacht van het Rijk te brengen.

Gedeputeerde Staten van Utrecht.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer