Schrif­te­lijke vragen over gepland afschot knob­bel­zwanen


Indiendatum: 9 okt. 2020

Geacht College van Gedeputeerde Staten,

U heeft Stichting Faunabeheereenheid Utrecht een ontheffing verleend op grond van de Wet Natuurbescherming, voor het afschieten van knobbelzwanen. Onze fractie heeft hierover de volgende vragen:

  1. De knobbelzwaan is een beschermde inheemse diersoort. Is GS ook verheugd dat de bescherming zijn vruchten heeft afgeworpen en de soort sinds 1970 is toegenomen tot een stabiele populatie sinds 2000?
  2. Staat het besluit van GS voor ontheffing voor afschot van knobbelzwanen in bijna de gehele provincie niet haaks op het beschermingsbeleid?
  3. In het genoemde besluit wordt gesteld dat het aantal broedende knobbelzwanen de laatste tien jaar significant toeneemt. Volgens de Vogelbescherming en SOVON is het aantal broedparen sinds 2000 stabiel: de groei is gestagneerd. Kunt u dit verschil in inzicht verklaren?
  4. In het besluit wordt niet onderbouwd hoe wordt voorkomen dat door het afschot schade aan andere soorten wordt voorkomen. Verwonding en afschot van andere (beschermde) diersoorten is een reëel gevaar. Zo vliegt meer dan 20% van de kleine zwanen, vliegen door de jacht rond met hagel in het lichaam[1]. Waarom heeft GS dit niet meegewogen in haar besluit?
  5. Uit de onderbouwing blijkt niet dat schademeldingen in de hele provincie significant zijn toegenomen. Het besluit geldt echter wel voor vrijwel de hele provincie (behalve 2 gebieden waar eerder geen beheermaatregelen zijn genomen). Waar is dit op gebaseerd?
  6. De looptijd van de ontheffing is tot 2025. Vanwaar de keus om zwanen voor zo’n lange periode vogelvrij te verklaren? Bent u het met ons eens dat de natuurlijke balans en regulatie hiermee compleet terzijde wordt geschoven?
  7. Hoe ziet u het afschieten van de vos in deze context? De vos is een mogelijk predator. Bent u met ons eens dat de natuur zichzelf kan reguleren en dat afschot van diersoorten deze balans aan gort schiet?
  8. In de ontheffing is opgenomen dat eerst meerdere niet-lethale maatregelen moeten worden ingezet om knobbelzwanen te verjagen. Hoe wordt toegezien op de handhaving hiervan? Gebeurt dit elke keer voorafgaand aan afschot?
  9. Bent u het met ons eens dat het schadebedrag van € 16.427 (2017) en de gemiddelde getaxeerde schade van € 6.300 per jaar (2012-2017) niet het vogelvrij verklaren van de zwaan rechtvaardigen?
  10. Doel van het beheer is om de schade veroorzaakt door knobbelzwanen ‘maatschappelijk aanvaardbaar’ te houden. De in vraag 9 genoemde bedragen zijn marginaal te noemen in vergelijking met bijvoorbeeld de miljoenenverspilling in mobiliteitsprojecten van de provincie. Bent u het met ons eens dat deze schadebedragen maatschappelijk aanvaardbaar zijn?
  11. We lezen ook dat het doel van het afschot is om ‘een landschap van angst te creëren’. Hoe past het creëren van een landschap van angst in het provinciaal natuurbeleid? Is er alleen plek voor flora en niet voor fauna? Hoe ‘maatschappelijk aanvaardbaar’ is dit landschap van angst?
  12. Vindt u het reduceren van de populatie van een beschermde diersoort met 10% maatschappelijk aanvaardbaar?
  13. De organisaties stichting Animal Rights en Fauna4Life hebben bezwaar aangetekend bij de rechtbank tegen het verlenen van deze ontheffing. Bent u hiervan op de hoogte en ben u op de hoogte van het feit dat een eerdere, soortgelijke procedure in Friesland ertoe leidde dat de rechter het afschot van zwanen in Friesland heeft verboden? Waarom denkt u dat de Utrechtse ontheffing wel gerechtvaardigd is?
  14. Bent u, gezien onze voorgaande vragen, bereid deze ontheffing in te trekken?

Namens de Partij voor de Dieren en hoogachtend,

Willem van der Steeg


[1] https://milieufederatie.nl/nieuws/afschot-knobbelzwanen-zuid-holland-risicovol-voor-kleine-zwaan/

Indiendatum: 9 okt. 2020
Antwoorddatum: 5 nov. 2020

Geachte heer Van der Steeg,

Toelichting:

Wij hebben de Stichting Faunabeheereenheid Utrecht een ontheffing verleend op grond van de Wet Natuurbescherming, voor beheer en schadebestrijding van Knobbelzwanen om deze te mogen verjagen met de mogelijkheid tot gebruik van ondersteunend afschot dat is beperkt en gekoppeld aan een minimale groepsgrootte en alleen in de periode van 1-12 tot 15-6 in het geval van gewasschade. Uw fractie heeft hierover de volgende vragen:

1. De knobbelzwaan is een beschermde inheemse diersoort. Is GS ook verheugd dat de bescherming zijn vruchten heeft afgeworpen en de soort sinds 1970 is toegenomen tot een stabiele populatie sinds 2000?

Antwoord:

Ja, wij zien ook graag dat beschermde soorten stabiele populaties vormen. Echter waar populaties significant doorgroeien, zoals hier bij de Knobbelzwanen het geval is, heeft dat als neveneffect dat in hun leefgebied de begrazingsdruk toeneemt en hiermee ook de schadedreiging. De significante toename van het totaal aantal Knobbelzwanen blijkt uit de watervogeltrend, zowel landelijk als voor de provincie Utrecht[1]. De watervogeltrend is gebaseerd op jaarrondtellingen en heeft niet alleen betrekking op broedvogels maar ook op ongepaarde dieren en op bijvoorbeeld overwinteraars. De broedvogelindex van SOVON Vogelonderzoek Nederland (hierna SOVON) daarentegen laat een stabilisatie zien in alleen de aantallen broedvogels van de Knobbelzwaan.

2. Staat het besluit van GS voor ontheffing voor afschot van knobbelzwanen in bijna de gehele provincie niet haaks op het beschermingsbeleid?

Antwoord:

De sleutelwoorden van de Wet natuurbescherming zijn bescherming, beleving en benutting en het stoppen van de teruggang van de biodiversiteit. Hierbinnen geeft de wet de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffingen, mits de ingreep geen disbalans veroorzaakt in hetgeen de wet beoogt te beschermen. Het beschermingsregime is dan ook niet absoluut. Onder specifieke voorwaarden kan hiervan worden afgeweken. De Knobbelzwaan is als broedvogel in Utrecht niet bedreigd en de jaarrondtellingen van SOVON laten een significante toename van het totaal aantal Knobbelzwanen zien. Knobbelzwanen kunnen belangrijke schade aanrichten aan gewassen. Om deze schade te voorkomen is een ontheffing verleend gericht op preventie door het onklaar maken van eieren en in het geval van (dreigende) gewasschade door het nemen van preventieve maatregelen met verjaging en de mogelijkheid tot gebruik van ondersteunend afschot voor een in de ontheffing beperkt aantal uit een groep die minimaal moet bestaan uit 15 exemplaren.

3. In het genoemde besluit wordt gesteld dat het aantal broedende knobbelzwanen de laatste tien jaar significant toeneemt. Volgens de Vogelbescherming en SOVON is het aantal broedparen sinds 2000 stabiel: de groei is gestagneerd. Kunt u dit verschil in inzicht verklaren?

Antwoord:

Het klopt dat SOVON voor de broedvogeltrend van de Knobbelzwaan een stabilisatie van aantal broedvogels beschrijft. Echter, in verband met de schade zijn de ‘watervogeltellingen’ van belang (watervogeltrend). Deze trend is gebaseerd op tellingen gedurende het hele jaar en daarbij gaat het niet alleen om broedvogels, maar ook om niet-broedende (ongepaarde) en overwinterende vogels. Op basis van de watervogeltellingen ziet SOVON landelijk en in onze provincie een trend, die wordt beschreven als een ' significante toename'.

4. In het besluit wordt niet onderbouwd hoe wordt voorkomen dat door het afschot schade aan andere soorten wordt voorkomen. Verwonding en afschot van andere (beschermde) diersoorten is een reëel gevaar. Zo vliegt meer dan 20% van de kleine zwanen, vliegen door de jacht rond met hagel in het lichaam[2]. Waarom heeft GS dit niet meegewogen in haar besluit?

Antwoord:

Voor andere soorten dan de Knobbelzwaan mag deze ontheffing niet gebruikt worden. Bij verjagingsacties met ondersteunend afschot is goed zicht op de dieren en daarmee de aanwezige soorten vereist en zijn vergissingen niet aannemelijk. Wij hebben ook geen signalen ontvangen van abusievelijk geschoten Kleine of Wilde zwanen. Er is ook geen direct verband aangetoond tussen de bestrijding van Knobbelzwanen in Nederland en Utrecht en de aanwezigheid van hagel in Kleine zwanen. Deze dieren kunnen ook op andere plaatsen langs de trekroute beschoten zijn. Omdat wij het risico dat abusievelijk andere soorten worden geschoten klein achten, hebben wij hierin geen reden gezien geen ontheffing te verlenen voor de Knobbelzwaan.

5. Uit de onderbouwing blijkt niet dat schademeldingen in de hele provincie significant zijn toegenomen. Het besluit geldt echter wel voor vrijwel de hele provincie (behalve 2 gebieden waar eerder geen beheermaatregelen zijn genomen). Waar is dit op gebaseerd?

Antwoord:

De ontheffing kan in de hele provincie worden ingezet met uitzondering van de wildbeheereenheden Lage Vuursche en Schaffelaar. Deze twee wildbeheereenheden hebben geen recent schadeverleden. In de overige wildbeheereenheden is dat wel het geval en is het aannemelijk dat er zich schade kan voordoen. Het is vooraf niet te bepalen op welke graslanden ze zullen neerstrijken en waar dus schadedreiging optreedt. Bij het verlenen van een ontheffing kijken wij niet alleen naar de schadebedragen maar ook naar de eerdere inspanning die in de voorgaande periode is gepleegd om schade te voorkomen.

6. De looptijd van de ontheffing is tot 2025. Vanwaar de keus om zwanen voor zo’n lange periode vogelvrij te verklaren? Bent u het met ons eens dat de natuurlijke balans en regulatie hiermee compleet terzijde wordt geschoven?

Antwoord:

Op basis van de Wet natuurbescherming zijn Knobbelzwanen beschermd, maar er zijn uitzonderingen mogelijk om bijvoorbeeld gewasschade te kunnen beperken. Hierin ligt de reden om aan verjaging ondersteunend afschot toe te staan met een ontheffingsduur gelijk aan de looptijd van het Faunabeheerplan 2019-2025. Elk jaar wordt de soort geteld. Mocht uit de tellingen blijken dat de staat van instandhouding alsnog in het geding is, of er anderszins redenen zijn om dit besluit te herzien, dan kan er gedurende de looptijd de ontheffing altijd worden gewijzigd of ingetrokken. Vooralsnog zijn er geen vooruitzichten die dat noodzakelijk maken. Omdat het aantal Knobbelzwanen nog altijd toeneemt, zoals uit de tellingen genoemd bij vraag 1 en 3 blijkt, mag worden geconcludeerd dat natuurlijke regulatie kennelijk niet voldoende is om de stand te stabiliseren.

7. Hoe ziet u het afschieten van de vos in deze context? De vos is een mogelijke predator. Bent u met ons eens dat de natuur zichzelf kan reguleren en dat afschot van diersoorten deze balans aan gort schiet?

Antwoord:

Op de aantallen Knobbelzwanen die in groepen op graslanden verblijven heeft regulering van de vossenstand in Utrecht geen invloed. Dat komt deels door de beperkte predatie van knobbelzwanen door vossen, maar deels ook door de komst van volwassen zwanen die hier buiten de broedperiode verblijven. Wij achten het daarom niet aannemelijk dat stoppen met het beheer van vossen wezenlijk zal bijdragen aan de vermindering van de door de knobbelzwanen aangerichte schade. Het zal naar onze mening wel een negatieve impact hebben op andere soorten zoals kwetsbare weidevogels.

8. In de ontheffing is opgenomen dat eerst meerdere niet-lethale maatregelen moeten worden ingezet om knobbelzwanen te verjagen. Hoe wordt toegezien op de handhaving hiervan? Gebeurt dit elke keer voorafgaand aan afschot?

Antwoord:

Onze toezichthouders in het veld controleren of de voorschriften van de ontheffing worden nageleefd. De persoon die gebruik maakt van de ontheffing zal, als er door hen naar wordt gevraagd, moeten aantonen dat, alvorens er tot afschot is overgegaan, ook preventieve maatregelen zijn genomen. In het veld zijn preventieve maatregelen als vlaggen, vogelverschrikkers en linten zichtbaar en eenvoudig te controleren. Als er ondersteunend afschot plaatsvindt dan dient dit in het faunaregistratiesysteem te worden geregistreerd. Ook op basis van deze registraties gaan de toezichthouders na of er in het veld preventieve maatregelen zijn getroffen. Tot nu toe zijn er geen gevallen bekend waarbij verjaagacties met afschot plaatsvonden zonder dat er eerst preventieve maatregelen waren getroffen. Het bleef bij een enkele waarschuwing vanwege een omgewaaide vlag.

9. Bent u het met ons eens dat het schadebedrag van € 16.427 (2017) en de gemiddelde getaxeerde schade van € 6.300 per jaar (2012-2017) niet het vogelvrij verklaren van de zwaan rechtvaardigen?

Antwoord:

Nee, wij zijn van mening dat op basis van de cijfers uit het Faunabeheerplan kan worden geconcludeerd dat sprake is van de dreiging van dusdanige belangrijke schade dat er terecht ontheffing is verleend. Door het toestaan van verjaging met ondersteunend afschot is in de voorgaande periode ook veel gewasschade voorkomen.

10. Doel van het beheer is om de schade veroorzaakt door knobbelzwanen ‘maatschappelijk aanvaardbaar’ te houden. De in vraag 9 genoemde bedragen zijn marginaal te noemen in vergelijking met bijvoorbeeld de miljoenenverspilling in mobiliteitsprojecten van de provincie. Bent u het met ons eens dat deze schadebedragen maatschappelijk aanvaardbaar zijn?

Antwoord:

Bij individuele bedrijven kunnen Knobbelzwanen een behoorlijke schade aan het grasland veroorzaken. Grondgebruikers willen altijd liever de schade voorkomen of beperken. Door verjaging met ondersteunend afschot kan de grondgebruiker daarop sturen. Vanuit die werkwijze en op basis van eerder vergelijkbare ontheffingen is de getaxeerde schade die in het Faunabeheerplan is genoemd ontstaan. Het is daarom aannemelijk dat het resterende schadebedrag aanzienlijk hoger zou zijn als er geen ontheffing beschikbaar zou zijn.

11. We lezen ook dat het doel van het afschot is om ‘een landschap van angst te creëren’. Hoe past het creëren van een landschap van angst in het provinciaal natuurbeleid? Is er alleen plek voor flora en niet voor fauna? Hoe ‘maatschappelijk aanvaardbaar’ is dit landschap van angst?

Antwoord:

Een ‘landscape of fear’[3] is de term voor de ecologische implicaties van het bang zijn. Het is in principe een preventieve maatregel gericht op het creëren van een omgeving waar dieren niet graag (meer) terugkomen om daarmee schade te voorkomen. Dat kan bijvoorbeeld door het planten van hoge struiken of hoge gewassen waardoor ganzen of zwanen geen goed zicht meer hebben op mogelijke predatoren en dus een gebied niet meer aantrekkelijk vinden. Vanuit landschappelijk kan dat niet overal worden toegepast. Ook verjaging met ondersteunend afschot kan een gebied onaantrekkelijk maken.

12. Vindt u het reduceren van de populatie van een beschermde diersoort met 10% maatschappelijk aanvaardbaar?

Antwoord:

Er is geen sprake van een ontheffing voor een reductiedoelstelling, zoals bij bijvoorbeeld de Grauwe ganzen het geval is. Zoals eerder gezegd gaat het om een ontheffing om Knobbelzwanen te verjagen met de mogelijkheid tot gebruik van ondersteunend afschot onder strenge ontheffingsvoorschriften. Het gebruik is beperkt tot een bepaalde periode van 1-12 tot 15-6 en dan alleen als de Knobbelzwanen zich groeperen in groepen van minimaal 15 dieren, want dan pas is er sprake van (een dreiging van) gewasschade. Alleen dan mag worden verjaagd en mag maximaal 10% van de Knobbelzwanen uit de desbetreffende groep ondersteunend worden geschoten. Bijvoorbeeld bij een groep van 20 zwanen mogen er maximaal 2 worden geschoten, waarbij het doel is dat de rest van de zwanen verjaagd wordt om schade te voorkomen.

13. De organisaties stichting Animal Rights en Fauna4Life hebben bezwaar aangetekend bij de rechtbank tegen het verlenen van deze ontheffing. Bent u hiervan op de hoogte en ben u op de hoogte van het feit dat een eerdere, soortgelijke procedure in Friesland ertoe leidde dat de rechter het afschot van zwanen in Friesland heeft verboden? Waarom denkt u dat de Utrechtse ontheffing wel gerechtvaardigd is?

Antwoord:

Wij zijn bekend met de bezwaren die aangetekend zijn. We weten ook dat deze partijen bij de rechtbank om een voorlopige voorziening hebben verzocht. Wij zijn ook op de hoogte van de uitspraak in Friesland en zijn van mening dat onze ontheffing meer is afgebakend en daarmee niet onrechtmatig is afgegeven. Daarbij komt dat onze afgegeven ontheffing vrijwel identiek is aan de eerder door ons aan de Faunabeheereenheid afgegeven ontheffing en deze in een eerdere rechtsgang in stand is gebleven.

14. Bent u, gezien onze voorgaande vragen, bereid deze ontheffing in te trekken?

Antwoord:

Wij zijn van mening dat de ontheffing rechtmatig is afgegeven en wij zijn niet voornemens deze in te trekken.

Hoogachtend,

Gedeputeerde Staten van Utrecht

[1] https://www.sovon.nl/provincie...

[2] https://milieufederatie.nl/nie...

[3] Atuo, F.A. & O'Connell, T. J. 2017. The landscape of fear as an emergent property of heterogeneity: Contrasting patterns of predation risk in grassland ecosystems. Ecol. Evol. 7: 4782-4793