Vragen over afschot reeën


Geacht college van Gedeputeerde Staten,

Toelichting

Deze week maakte BIJ12 bekend met een proef te starten om aanrijdingen met reeën te verminderen[1]. Het plan is om meer reeën af te schieten rond de zogenaamde ‘hotspots’, plekken waar veel aanrijdingen voorkomen.

Vragen

  1. Is het college op de hoogte van deze proef? Is deze proef afgestemd met de provincie? Wie waren hier nog meer bij betrokken?
  2. Wat vindt het college van de plannen voor extra afschot van reeën in onze provincie?
  3. Is het college het met ons eens dat deze proef niet in lijn is met de “Leidraad verminderen aanrijdingen reeën”[2] - waarbij juist wordt gekeken naar andere (maatwerk) maatregelen voor de hotspots en waarbij afschot slechts een laatste middel is – en dat er veel meer moet worden ingezet op andere preventieve maatregelen?
  4. Het verlagen van de snelheid rond hotspots is de meest effectieve, goedkoopste en meest diervriendelijke oplossing. Daarvoor is in 2012 een motie van ons aangenomen[3]. Kan het college aangeven hoe zij nu tegen deze motie aankijkt?
  5. Kan het college aangeven hoe aan de genoemde motie uitvoering is gegeven? Zijn er voorbeelden waar snelheidsverlaging is toegepast om aanrijdingen en letsel voor mens en dier te voorkomen?
  6. Is GS met ons van mening dat afschot juist contraproductief werkt, omdat door deze bejaging de dieren verstoord worden en daardoor mede naar plekken gedreven worden waar ze normaal niet (of minder) zouden verschijnen?
  7. Is GS bereid om snelheidsverlaging als maatregel toe te passen rondom de ‘hotspots’ om zodoende leed voor mens en dier te voorkomen?

Namens de Partij voor de Dieren en hoogachtend,

Willem van der Steeg

[1] https://www.bij12.nl/nieuws/bij12-start-proef-om-aanrijdingen-met-reeen-te-verminderen/

[2] https://www.zoogdiervereniging.nl/sites/default/files/imce/nieuwesite/Zoogdiersoorten/Ree/downloads/DB_Leidraad%20Ree%C3%ABn_LR%232.pdf

[3] https://utrecht.partijvoordedieren.nl/moties/motie-over-preventieve-maatregelen-wildaanrijdingen

Antwoorddatum: 4 jun. 2019

Toelichting:
Naar aanleiding van een bekendmaking van BIJ12 over de start van een proef om aanrijdingen met reeën te verminderen, heeft u de volgende vragen gesteld.

1. Is het college op de hoogte van deze proef? Is deze proef afgestemd met de provincie? Wie waren hier nog meer bij betrokken?

1. Antwoord:
De opdrachtgever van deze proef is BIJ12. Provincie Utrecht is vanaf het begin betrokken geweest en heeft zitting in zowel de begeleidingsgroep als de klankbordgroep. In de begeleidingsgroep zijn vertegenwoordigd de betrokken provincies, de Faunabeheereenheid, de jagersvereniging, Environmental Research (WUR; voorheen Alterra) en wordt voorgezeten door BIJ12. In de klankbordgroep zijn vertegenwoordigd: de Zoogdiervereniging, Staatsbosbeheer, Stichting Wildaanrijdingen Nederland, Vereniging Het Reewild, de Jagersvereniging, Faunabeheereenheid, WUR en Provincie. Ook de Klankbordgroep wordt voorgezeten door BIJ12.

2. Wat vindt het college van de plannen voor extra afschot van reeën in onze provincie?

2. Antwoord:
De opdracht aan WUR behelst twee onderzoeken: een onderzoek naar de effectiviteit van virtueel hekwerk (aankomend verkeer activeert geluid- en lichtsignalen die reeën moeten afschrikken) en een onderzoek naar de effectiviteit van maatwerkbeheer. Het eerste onderzoek vindt plaats in Gelderland (Achterhoek); het tweede op een locatie in Gelderland (Achterhoek) en een locatie in Utrecht (zuidoostelijke Heuvelrug). In het laatste gebied is de Bergweg tussen Amerongen en Overberg het referentiegebied, en de N416 tussen Rhenen en Veenendaal het gebied met aangepast beheer. Bij het maatwerkbeheer zal beheer plaatsvinden langs de infrastructuur. Dat beheer bestaat uit gericht afschot in stroken direct langs de weg. Gedurende de jaren 2019 en 2020 wordt de huidige situatie, zonder aangepast beheer, bepaald. Mede op basis daarvan wordt de omvang van het aangepaste beheer bepaald dat in 2021 en 2022 wordt uitgevoerd. Dat beheer zal de populatie-omvang zoals beschreven in het Faunabeheerplan niet beïnvloeden. Het Faunabeheerplan is door Gedeputeerde staten goedgekeurd en wordt door.het college onverminderd gesteund.

3. Is het college het met ons /eens dat deze proef niet in lijn is met de "Leidraad verminderen aanrijdingen reeën" waarbij juist wordt gekeken naar andere (maatwerk) maatregelen voor de hotspots en waarbij afschot slechts een laatste middel is en dat er veel meer moet worden ingezet op andere preventieve maatregelen?

3. Antwoord:
De proef is deels in lijn met genoemde leidraad. Het betreft een proef waarbij zowel gekeken wordt naar virtueel hekwerk als naar aangepast beheer. Het eerste is overduidelijk een alternatief voor afschot; het tweede is een poging om populatiebeheer dat sowieso plaatsvindt, op een andere locatie uit te voeren waardoor naar verwachting het aantal aanrijdingen vermindert.

4. Het verlagen van de snelheid rond hotspots is de meest effectieve, goedkoopste en meest diervriendelijke oplossing. Daarvoor is in 2012 een motie van ons aangenomen. Kan het college aangeven hoe zij nu tegen deze motie aankijkt?

4. Antwoord:
De beschouwing over het verlagen van de snelheid is opgenomen in de notitie Snelheidsregimes op provinciale wegen (vastgesteld januari 2017) en het programma Oversteekbaarheid fauna 2017 - 2020 (vastgesteld juni 2017). In het programma Oversteekbaarheid fauna 2017 - 2020 is opgenomen welke maatregelen de provincie het meest geschikt acht voor het voorkomen van ongevallen met groot wild. "Uit het oogpunt van effectiviteit en begrijpelijkheid voor de weggebruiker acht de provincie Utrecht de volgende verkeersmaatregelen de meeste geschikte ter voorkomen van aanrijdingen met groot wild:
1. Het inrichten van oversteekplaatsen met een wilddetectiesysteem, bestaande uit een verkeersbord J27 en verkeersbord A 1 met dynamische verlaging van de maximumsnelheid (bord A 1) tot 60 kmlu op het moment dat het dier gedetecteerd wordt, in combinatie met maatregelen zoals rasters en wildrooster om het wild naar de oversteekplaatsen te geleiden.
2. Het tijdelijk plaatsen van (motto)borden gedurende specifieke perioden in het jaar waarin de kans op aanrijdingen duidelijk groter is dan normaal (bijvoorbeeld de bronsttijd), eventueel in combinatie met verkeersborden A4 met een adviessnelheid van 60 km/u.

Het instellen van een permanente verlaging van de maximumsnelheid is een minder geschikte
maatregelen om wildongevallen op gebiedsontsluitingswegen tegen te gaan. Belangrijkste overging hierbij is dat de oversteekproblematiek rondom groot wild in veel gevallen seizoens- en tijdstipgebonden is. Dit betekent dat een permanente snelheidsverlaging een groot deel van de dag of zelfs van het jaar geen functie heeft, wat de acceptatie van een dergelijke maatregel niet ten goede komt. De provincie Utrecht gaat terughoudend om met het toepassen van snelheidsverlagingen op het haar wegen, voor meer informatie hierover zie de notitie 'Snelheidsregimes op provinciale wegen', vastgesteld op 24 januari 2017."

De functie, de vorm en het gebruik van een weg moeten met elkaar in evenwicht zijn; het snelheidsregime dient hierop te worden afgestemd. De provincie gaat terughoudend om met de verlaging van de maximumsnelheid op haar wegen ("nee, tenzij ... ") omwille van de doorstroming en de begrijpelijkheid en geloofwaardigheid voor de weggebruiker. Dit heeft de volgende redenen:
1. Snelheid is niet altijd het (hoofd)probleem. In een aantal gevallen is niet zozeer de snelheid van het verkeer als wel de verkeersdruk (intensiteiten) de oorzaak van de ervaren problemen.
2. De weginrichting (breedte, wegverloop, aanwezigheid van voorzieningen voor fietsers en bromfietsers) maken verlaging van de maximumsnelheid ongeloofwaardig.
3. Aan het toepassen van snelheidsremmende maatregelen (bijvoorbeeld drempels en plateaus) kleven nadelen: comfortverlies (met name voor buspassagiers) en/of hinder voor de omgeving (bijvoorbeeld trillings- en geluidhinder).
4. Weggebruikers kunnen het gevoel krijgen (nodeloos) tijd te verliezen en als gevolg daarvan verkeersonveilig gedrag vertonen: overschrijding van het maximumsnelheid en gevaarlijk inhaalgedrag, het sneller rijden op andere delen van de rit/route, het kiezen voor sluiproutes.
5. Snelheidsverlagingen kunnen leiden tot tijdverlies en daarmee extra exploitatielasten voor het openbaar vervoer.
6. Het Openbaar Ministerie en de politie zijn niet bereid te handhaven op wegen waar de inrichting en het snelheidsregime in hun ogen te veel afwijken van de functie van de weg.

5. Kan het college aangeven hoe aan de genoemde motie uitvoering is gegeven? Zijn er voorbeelden waar snelheidsverlaging is toegepast om aanrijdingen en letsel voor mens en dier te voorkomen?

5. Antwoord:
Zie de beantwoording onder vraag 4.
De afgelopen jaren zijn in overleg met de reewildbeheercommissies, de terreinbeheerders, de wegbeheerders bij provincie en Rijk en enkele gemeenten de volgende maatregelen uitgevoerd
a. blauwe wildspiegels zijn geplaatst langs alle relevante trajecten op de Utrechtse Heuvelrug en het Kromme Rijngebied bij provinciale wegen en rijkswegen
b. scheiding van verkeer en natuur is op bepaalde trajecten m.b.v. grote faunatunnels, ecoducten en rasters gerealiseerd
c. Rijkswaterstaat heeft alle relevante trajecten op de Heuvelrug, in het Kromme Rijngebied en in de Vallei van wildkerend raster voorzien. De laatste aanvullingen o.a. bij Bunnik zijn van het najaar 2018.
d. er worden extra waarschuwingsborden geplaatst in het voorjaar wanneer reeën vaker dan gemiddeld oversteken
e. er worden extra waarschuwingsborden geplaatst bij boswerkzaamheden die verstoring van reeën veroorzaken f. waar nodig wordt door de terreinbeheerders en wegenbeheerders ondergroei langs de wegen verwijderen om zicht van de automobilist op de omgeving te verbeteren
g. tijdens de droge zomer van 2018 zijn er plaatselijk waterbakken neergezet om te voorkomen dat reeën zich onnodig over grotere afstand zouden verplaatsen
h. gemeenten Utrechtse heuvelrug en Leusden hebben een plan in uitvoering om wildaanrijdingen terug te dringen op de lokale wegen. De gemeente Soest heeft op divers trajecten blauwe wildspiegels geplaatst
i. In gebieden waar de verspreiding van reeën groter wordt, zoals in de Lopikerwaard, wordt dit goed gevolgd en waar nodig maatregelen uitgevoerd, zoals het plaatsen van rasters bij rijkswegen.

6. Is GS met ons van mening dat afschot juist contraproductief werkt, omdat door deze bejaging de dieren verstoord worden en daardoor mede naar plekken gedreven worden waar ze normaal niet (of minder) zouden verschijnen?

6. Antwoord:
Nee, de verwachting is dat door het beheer dicht bij de weg te laten plaatsvinden de reeën hier minder zullen verblijven en zich meer ophouden in de gebieden verder weg van de weg.

7. Is GS bereid om snelheidsverlaging als maatregel toe te passen rondom de 'hotspots' om zodoende leed voor mens en dier te voorkomen?

7. Antwoord:
Het college beschouwt het instellen van een permanente verlaging van de maximumsnelheid als een minder geschikte maatregel om wildongevallen rondom hotspotlocaties tegen te gaan. Zie verder de beantwoording onder vraag 4 en 5.