Vragen over ontsluiting Amers­foort, de Das & Wet natuur­be­scherming


Onderwerp: Schriftelijke vragen ex art. 47 RvO aan het College van GS, gesteld door de heer W. van der Steeg van de Partij voor de Dieren, betreffende Vervolgvragen WOA Wnb

Toelichting

Geacht college van Gedeputeerde Staten,

Naar aanleiding van uw antwoorden op onze eerdere vragen omtrent de Westelijke Ontsluiting Amersfoort (WOA) en de diersoort das, willen wij u de volgende vragen stellen, die raken aan de toezichthoudende, controlerende en handhavende rol van de provincie Utrecht op basis van de Wet natuurbescherming.

U stelt dat de provincie Utrecht in het geval van de WOA geen rol meer heeft, omdat het louter de aanvrager is (in casu de gemeente Amersfoort) die een second opinion kan doen (initiatief aanvrager) en omdat de aanvrager stelt dat er géén ontheffing nodig is.

Stelt u zich nu de volgende, hypothetische situatie voor: wat als de aanvrager -onbewust of opzettelijk- een verkeerde voorstelling van zaken geeft; namelijk dat een ontheffing níet noodzakelijk is. In een dergelijke situatie zou volgens uw antwoord de provincie dus lijdend voorwerp zijn. Hetzelfde zou dan gelden als een gemeente in verzuim is om dát te doen, wat op basis van de Wet natuurbescherming zou moeten gebeuren. De Wet natuurbescherming geeft criteria aan wanneer een aanvraag tot ontheffing gedaan zou moeten worden. Wij doelen hier echter nadrukkelijk op de situatie dat de beoordeling (nml. dat er géén ontheffing aangevraagd dient te worden door de potentiële aanvrager) onjuist is - of wanneer er twijfels zijn over dit standpunt.

1. Klopt het dat de provincie Utrecht dan ‘lijdend voorwerp’ is, of heeft de provincie een eigen onderzoeksplicht (of een recht om te interveniëren) wanneer er twijfels zijn omtrent de juistheid van de veronderstelling dat in casu een aanvraag tot ontheffing niet nodig is?

2. Wat zijn de mogelijkheden voor de provincie wanneer blijkt dat er géén aanvraag tot ontheffing wordt gedaan, maar er wel twijfels zijn omtrent de juistheid hiervan?

3. Wat zijn de mogelijkheden van de provincie Utrecht wanneer definitief is gebleken dat een ontheffing nodig was, maar níet aangevraagd?

4. De Wet natuurbescherming heeft onder andere ontheffingsbevoegdheden van het Rijk gedecentraliseerd naar de provincie (o.m. bouwen & ruimtelijke ingrepen). De praktijk doet vermoeden dat er sinds de invoering van deze wet een verschil is tussen de aangevraagde ontheffingen, en het aantal ontheffingen dat daadwerkelijk aangevraagd had moeten worden.

Wanneer er in dit geval (en bij het ontbreken van mogelijkheden tot eigenstandig onderzoek in het geval van vraag 2) geen mogelijkheden zijn tot eigenstandig onderzoek c.q. mogelijkheden om een aanvraag af te dwingen, is dat een hiaat in onze eigen provinciale regelgeving (m.b.t. de invulling van onze bevoegdheden o.g.v. de Wet natuurbescherming), of is dit een hiaat in de wet zelf?

5. In het eerste geval, bent u bereid om initiatief te nemen om deze lacune te dichten? In het tweede geval, bent u bereid om dit in IPO-verband te bespreken met als doel ‘Den Haag’ te bewegen om dit te repareren in de Wet natuurbescherming?

Hoogachtend,

Namens de Partij voor de Dieren

Willem van der Steeg

Antwoorddatum: 19 feb. 2019

Onderwerp: Schriftelijke vragen ex art. 47 RvO aan het College van GS, gesteld door de heer W. van der Steeg van de Partij voor de Dieren, betreffende Vervolgvragen WOA Wnb

Toelichting

Geacht college van Gedeputeerde Staten,

Naar aanleiding van uw antwoorden op onze eerdere vragen omtrent de Westelijke Ontsluiting Amersfoort (WOA) en de diersoort das, willen wij u de volgende vragen stellen, die raken aan de toezichthoudende, controlerende en handhavende rol van de provincie Utrecht op basis van de Wet natuurbescherming.

U stelt dat de provincie Utrecht in het geval van de WOA geen rol meer heeft, omdat het louter de aanvrager is (in casu de gemeente Amersfoort) die een second opinion kan doen (initiatief aanvrager) en omdat de aanvrager stelt dat er géén ontheffing nodig is.

Stelt u zich nu de volgende, hypothetische situatie voor: wat als de aanvrager -onbewust of opzettelijk- een verkeerde voorstelling van zaken geeft; namelijk dat een ontheffing níet noodzakelijk is. In een dergelijke situatie zou volgens uw antwoord de provincie dus lijdend voorwerp zijn. Hetzelfde zou dan gelden als een gemeente in verzuim is om dát te doen, wat op basis van de Wet natuurbescherming zou moeten gebeuren. De Wet natuurbescherming geeft criteria aan wanneer een aanvraag tot ontheffing gedaan zou moeten worden. Wij doelen hier echter nadrukkelijk op de situatie dat de beoordeling (nml. dat er géén ontheffing aangevraagd dient te worden door de potentiële aanvrager) onjuist is - of wanneer er twijfels zijn over dit standpunt.

1. Klopt het dat de provincie Utrecht dan ‘lijdend voorwerp’ is, of heeft de provincie een eigen onderzoeksplicht (of een recht om te interveniëren) wanneer er twijfels zijn omtrent de juistheid van de veronderstelling dat in casu een aanvraag tot ontheffing niet nodig is?

1. Antwoord

De wetgever heeft de verantwoordelijkheid voor de naleving van de wet uitdrukkelijk bij de initiatiefnemer neergelegd. Deze moet voldoende onderzoek verrichten naar beschermde soorten. Wanneer wij aanvragen Wet natuurbescherming ontvangen die naar ons oordeel onvolledig zijn dan verzoeken wij de aanvrager de aanvraag aan te vullen. De provincie dient bij het verlenen van een ontheffing in het kader van de soortenbescherming (Hoofdstuk 3 Wet natuurbescherming) echter uit te gaan van de activiteiten en de soorten die zijn aangevraagd. Niet-aangevraagde activiteiten en soorten kunnen hierbij dus niet worden meegenomen. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op 22 januari jongstleden is dit nog eens bevestigd door de Rechtbank Midden-Nederland in de zaak over de Westelijke Ontsluiting Amersfoort. Dit betekent niet dat de provincie 'lijdend voorwerp' is, nu de provincie ook (mede) verantwoordelijk is voor het toezicht op en handhaving van de Wet natuurbescherming. Zie ook onze antwoorden onder vraag 2 en 3.


2. Wat zijn de mogelijkheden voor de provincie wanneer blijkt dat er géén aanvraag tot ontheffing wordt gedaan, maar er wel twijfels zijn omtrent de juistheid hiervan?

2. Antwoord

In twijfelgevallen spreekt de provincie initiatiefnemers aan op hun in artikel 2 van de Wet natuurbescherming verwoorde zorgplicht. De ervaring leert dat initiatiefnemers hierop meestal coöperatief reageren en vervolgens de vereiste onderzoeken laten uitvoeren, al dan niet gevolgd door een vergunningaanvraag. Wanneer een initiatiefnemer niet adequaat op een provinciaal verzoek reageert, leggen wij de activiteit stil in combinatie met een last onder dwangsom.


3. Wat zijn de mogelijkheden van de provincie Utrecht wanneer definitief is gebleken dat een ontheffing nodig was, maar níet aangevraagd?

3. Antwoord

In situaties waarin 'het leed al is geschied', leggen wij een bestuurlijke boete op. Een lopend initiatief zal onder dergelijke omstandigheden, ondersteund door een last onder dwangsom, worden stilgelegd, waarbij de initiatiefnemer opgedragen wordt de situatie voor zover mogelijk in de oorspronkelijke toestand te herstellen. Wanneer het om nog niet gestarte initiatieven gaat, worden initiatiefnemers gemaand om per omgaande alsnog een verzoek om vergunning in te dienen.


4. De Wet natuurbescherming heeft onder andere ontheffingsbevoegdheden van het Rijk gedecentraliseerd naar de provincie (o.m. bouwen & ruimtelijke ingrepen). De praktijk doet vermoeden dat er sinds de invoering van deze wet een verschil is tussen de aangevraagde ontheffingen, en het aantal ontheffingen dat daadwerkelijk aangevraagd had moeten worden.

Wanneer er in dit geval (en bij het ontbreken van mogelijkheden tot eigenstandig onderzoek in het geval van vraag 2) geen mogelijkheden zijn tot eigenstandig onderzoek c.q. mogelijkheden om een aanvraag af te dwingen, is dat een hiaat in onze eigen provinciale regelgeving (m.b.t. de invulling van onze bevoegdheden o.g.v. de Wet natuurbescherming), of is dit een hiaat in de wet zelf?

4. Antwoord

Het verschil tussen het aantal aangevraagde ontheffingen en het aantal dat waarschijnlijk aangevraagd had moeten worden was er al voor inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming. Uit onderzoek dat is verricht in het kader van de toenmalige Flora- en faunawet (Natuurwetgeving en het omgevingsrecht, Wot technical rapport 65) is gebleken dat het aantal aangevraagde ontheffingen en verklaringen van geen bedenkingen in het kader van deze wet niet overeenkwam met het aantal dat, gelet op de uitgevoerde initiatieven, waarschijnlijk benodigd was. Dit verschil is er nog altijd. Het aantal aanvragen dat wij onder de Wet natuurbescherming hebben ontvangen en afgehandeld is groter dan het aantal dat jaarlijks voor onze provincie namens de minister werd afgegeven. Het verschil tussen de aangevraagde ontheffingen en de ontheffingen die aangevraagd hadden moeten worden, is te verklaren door de onbekendheid van sommige initiatiefnemers met de regelgeving. De ten opzichte van de voorheen van rijkswege (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) nu door de provincie gepraktiseerde (veel) stringentere naleving (o.a. door regelmatige gebiedscontroles), werpt, in combinatie met initiatieven op het gebied van voorlichting, (ook preventief) steeds meer vruchten af. Zo zit het aantal vergunningaanvragen in de lift en neemt die nog steeds verder toe. Echter, net zoals niet alle 'rijders door rood licht' betrapt worden, is dat ook het geval bij overtreders van de Wet natuurbescherming. Toch is er, evenmin als bij de Wegenverkeersregelgeving, bij de Wet natuurbescherming geen sprake van een hiaat in de wet of onze regelgeving. Wel zal, naarmate er vaker wordt gecontroleerd, de pakkans groter worden en zal uiteindelijk het aantal overtredingen vanwege het preventieve karakter van de provinciale handhavingsinzet relatief beperkt blijven.

5. In het eerste geval, bent u bereid om initiatief te nemen om deze lacune te dichten? In het tweede geval, bent u bereid om dit in IPO-verband te bespreken met als doel ‘Den Haag’ te bewegen om dit te repareren in de Wet natuurbescherming?

5. Antwoord

Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 is er van een lacune geen sprake en is er ook geen aanleiding om dit met het IPO en het Rijk te bespreken. Wij merken op dat wij de handhaving van de Wet natuurbescherming aanzienlijk hebben geïntensiveerd ten opzichte van de situatie onder de Flora- en faunawet en dat wij veel aandacht hebben besteed, en nog altijd besteden, aan het voorlichten van gemeenten en andere initiatiefnemers over de natuurbeschermingsregelgeving. Wij constateren dat dit ook leidt tot meer ontheffingsaanvragen.



Hoogachtend,

Namens de Partij voor de Dieren

Willem van der Steeg